Wat is de wereld toch geweldig

Op straat leven. Zwerven. Dat is dus geen huis hebben. Geen huis om in op te staan of in te ontbijten. En, hoewel veel mensen je dagelijks zien lopen of zitten, er is geen postbode meer die je ‘officieel’ kan vinden. Het hele systeem dondert in elkaar als de postbode je niet meer ‘officieel’ kan vinden.

Het sneeuwt. Ik blijf maar wat lopen. Mijn vrouw is wel thuis maar ze doet niet open. Ze weet dat ik op haar bel druk. Één keer. Mijn kinderen slapen. Het is koud. Wat is de wereld vredig nu. Het hele dorp gloeit na van de dag vol centrale verwarmingen. Lampen in straatlantaarns, belknopjes, stoplichten, etalages en de kerkklokken geven voldoende licht om warm te blijven vannacht. In dit dorp ben ik geboren. Ik heb er twintig jaar lang in het daglicht geleefd. Vol ontzag voor de nacht. Deze nacht.

Mijn vader en moeder zouden me zo naar binnen laten. Altijd. Daar zou ik direct gevuld worden met alles wat mij mijn leven lang al mooier heeft gemaakt dan ik ooit had durven dromen. Ze wonen drie straten verder. Toch loop ik de andere kant op want ik kan het even niet meer. Ik wil ook niet meer denk ik. Alle regeltjes zijn in mijn gezicht ontploft. Niet hùn regeltjes. De regeltjes. Een wezenlijk verschil. Ik wil niet meer meedoen. Er rijdt een auwto voorbij. De bestuurder veegt zijn vooruit in rondjes driftig schoon.

Mijn dagen duren lang. De nachten veel te kort. De nacht is van mij alleen. Ik kom er niemand tegen. Er zijn er wel die in de nacht leven maar die zijn eenvoudig te ontwijken. Ik kan ze soms ook vol verwondering bekijken. Dan ben ik onzichtbaar.

Ik probeer langzaam te lopen omdat ik dan nog beter in staat ben om het hele moment waarin ik leef op te zuigen. Te be~leven. Ik heb geleerd om de tijd te vertragen totdat ie bijna stil staat. Natuurlijk kan ik de tijd van jou niet foppen maar mijn tijd heb ik getemd. Mijn tijd tikt weg zoals een vlam een kaars kan opeten. Soms langzaam met een heel klein vlammetje en soms als een heftig spetterend vuurwerk. Tijd jaagt niet meer op mij. Ik eet het op. Áls ik honger heb.

Ik zoek wijsheid in de rust van de nacht. Zonder die rust ben ik niet in staat om het vuurtje brandend te houden. Te voeden. De gekte om me heen is ondragelijk. Ik moet immense bedragen op hoesten om in een huis te wonen en om in een auwto te rijden. Mijn kinderen moet walgelijk dure spullen hebben omdat ze anders door vriendjes gepest worden. Hééé. Een Uil! Hij heeft me verrast. Een Uil kan heel zachtjes vliegen weet je dat? Een duif of een meeuw maakt herrie bij het vliegen. Die hoor je op tientalle meters afstand al aan horen komen. Een Uil…zoefffffft. Alleen als je stil bent en heel goed kijkt zie je ‘m vliegen. Pff. Ik ben blij dat ik nu even geen muis ben.

Kut wat is het koud. Ik ben moe. Ik neem nog een lijntje speed. Instant warmte. Dan ben ik weer een uur of vijf waakzaam en vrolijk zonder dat ik eten of drinken nodig heb. Drinken en eten moet ik zoeken. Dat kost te veel tijd.

Alle mensen slapen nu. Sommigen hoor ik buiten snurken. Op één of andere manier heb ik een zwak voor slapende mensen. Ik voel me veilig als ze slapen. Het enige moment waarop alle mensen gelijk zijn. Het moment waarop ze slapen. Het gras vers gemaaid. Ze moeten morgen weer vroeg op. Straks eigenlijk. Het is nu half vijf. Aan de eerste wekkers hoor ik dat de zon in aantocht is. Ze storen me niet meer.

Vandaag niet. Ik heb genoeg speed. Als ik speed in mijn zak heb dan ben ik onaantastbaar. Dan loop ik en geniet van alles wat er om me heen gebeurt. Onaantastbaar heen én weer. Het raakt me niet aan en ik kan het niet aanraken. Of…. Ja, ik kan het wel aanraken maar ik wil het niet. Het is zoals het is.

Het schouwspel dat aan me voorbij trekt, vult het moment. Elke seconde is uniek en toch weet ik wat er gaat gebeuren. Ik denk soms dat ik, wanneer ik wil, weer terug kan stappen in het toneelstuk dat ik aanschouw. Maar ik kies er niet voor nu.

Ik leef van de dingen die anderen niet eens het waar~nemen waard vinden. Ik gooi een blikje in een prullenbak bij een bushalte. Er zat nog een slok in. Ik weet het. Ik drink het op jouw kosten. Jij moet hard werken om dat blikje te kunnen kopen. Ik ben een lamzak. Ik heb geen tijd om te werken. Ik heb nog niet eens de tijd om alles te zien wat er te zien is. Om mijn vertroebelde geweten te sussen maak ik mezelf wijs dat ik een mier in de mensenwereld ben. Ik ben moe.

Het is al licht. Ineens. Ik ben naar het Engelermeer gelopen. Het is daar ’s winters zo mooi tussen donker en licht. Twee keer per dag. Een perfect voorbeeld van hoe mensen per ongeluk een mooi stukje aarde liefkozen. Het bewijs is voor vandaag weer geleverd. Wat is de wereld toch geweldig.

Ik ga een tukkie doen.

Dit bericht is geplaatst in Columns. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>