Alweer te laat. In de bus besef ik me dat haasten me niet gelukkig maakt. Waarom lukt het me toch niet om in rust van A naar B te gaan? Half struikelend spring ik uit de bus en ren naar het station. Ik koop snel een kaartje en kan nog net bij een kiosk een kopje koffie halen.
Terwijl ik geld uit mijn tas haal stoot ik een blikje om. Ik pak het op en gooi het in de prullenbak. Enigszins vertraagd hoor ik: “Hee, dat is mijn bier!” Als ik op kijk zie ik een jongen van een jaar of achttien beteuterd kijken. Hij baalt echt. In mijn haast koop ik twee nieuwe blikken voor m. Nu is hij blij en baal ik. Mijn trein is weg.
De jongen stopt één blik bier in zn binnenzak en zegt: “deze is voor vanavond… Dank je wel!” De andere gaat meteen open. We lopen samen een stukje verder de stationshal in. Verderop hangt een grote spiegel waarin ik mezelf zie aankomen. De spiegel zag mij al voor ik hem zag. Als we er vlakbij zijn blijven we staan. “Ben jij gelukkig?”, vraag ik aan de spiegel en ik zie m twijfelen. Quasi-bluffend dring ik aan: “Nou?”
Ik heb flinke wallen onder mn ogen. Mn haar ziet er niet uit. Ik heb het de laatste twee keer flink verknipt geknipt. T-Shirt van de kringloopwinkel. Er zit al een gat in maar het is een echt ‘Diesel’ shirt. Het zit lekker al ben ik te dik. Mn spiegelbeeld zegt ineens: “Gelukkig… zei je? Hoezo… gelukkig?” In mn ooghoeken zie ik dat zijn haar al behoorlijk grijs is.
“Ben jij gelukkig?”, vraag ik aan de jongen die nog steeds naast me staat. Voor hij antwoordt geeft zeg ik: “Ben ik gelukkig?” Ik trek een gekke bek en ik steek mn tong een klein beetje uit. Door de spiegel durft de jongen me aan te kijken. Hij vindt geen woorden en lacht breeduit. “Ik ben in staat je te kussen!”, zegt ie een beetje plagerig… Hij neemt demonstratief een slokje.
In de drukte van twee man voor en twee man achter de spiegel voel ik mij een beetje rustiger worden. “Ik ben in staat om te staan waar ik wil. Er is geen verschil tussen vroeg of laat. Waarom heb ik dan haast?” Ik praat tegen mezelf tot antwoorden veranderen in vragen en de lage tonen in mijn stem vertragen. De schijnheilige staten versmelten met woorden en heilig geluk. Ik eindig mn mono-onlogisch gespiegelde dialoog met: “Soms ben ik in alle staten, de verenigde staten van mezelf, dus ook gelukkig. Ik ben gelukkig” Iedereen zwijgt. Zonder verdere vertraging draai ik me om. “Ik ga mijn trein zoeken”, zeg ik.
De jongen staat nog voor de spiegel. Hij kijkt naar zichzelf. Zachtjes zegt ie: “Vroeger… vroeger wilde ik ook gelukkig zijn…” Hij schrikt van zichzelf en neemt een te grote slok. Het gesprek dat ie met zichzelf voert gaat verder zonder woorden of geluid. Als ik mijn trein wil halen moet ik nu weg lopen maar ik blijf staan.
Hij kijkt me aan en zegt: “Alles gaat fout. In één klap heb ik alle staten opgeblazen en nu leef ik op straat. Morgen word ik zeventien en de vraag waar jij mee dood zult gaan heb ik al beantwoord. Geluk is geen ‘staat’ meneer. Geluk blijft over als alle staten verdwijnen. Haast of geen haast” Hij knipoogt en loopt glimlachend weg.
Hij heeft me besmet met zn glimlach al rijdt de tweede trein net voor mn neus weg.
Mar10
blijft zichzelf in 2011