Verenigde staten

Alweer te laat. In de bus besef ik me dat haasten me niet gelukkig maakt. Waarom lukt het me toch niet om in rust van A naar B te gaan? Half struikelend spring ik uit de bus en ren naar het station. Ik koop snel een kaartje en kan nog net bij een kiosk een kopje koffie halen.

Terwijl ik geld uit mijn tas haal stoot ik een blikje om. Ik pak het op en gooi het in de prullenbak. Enigszins vertraagd hoor ik: “Hee, dat is mijn bier!” Als ik op kijk zie ik een jongen van een jaar of achttien beteuterd kijken. Hij baalt echt. In mijn haast koop ik twee nieuwe blikken voor m. Nu is hij blij en baal ik. Mijn trein is weg.

De jongen stopt één blik bier in zn binnenzak en zegt: “deze is voor vanavond… Dank je wel!” De andere gaat meteen open. We lopen samen een stukje verder de stationshal in. Verderop hangt een grote spiegel waarin ik mezelf zie aankomen. De spiegel zag mij al voor ik hem zag. Als we er vlakbij zijn blijven we staan. “Ben jij gelukkig?”, vraag ik aan de spiegel en ik zie m twijfelen. Quasi-bluffend dring ik aan: “Nou?”

Ik heb flinke wallen onder mn ogen. Mn haar ziet er niet uit. Ik heb het de laatste twee keer flink verknipt geknipt. T-Shirt van de kringloopwinkel. Er zit al een gat in maar het is een echt ‘Diesel’ shirt. Het zit lekker al ben ik te dik. Mn spiegelbeeld zegt ineens: “Gelukkig… zei je? Hoezo… gelukkig?” In mn ooghoeken zie ik dat zijn haar al behoorlijk grijs is.

“Ben jij gelukkig?”, vraag ik aan de jongen die nog steeds naast me staat. Voor hij antwoordt geeft zeg ik: “Ben ik gelukkig?” Ik trek een gekke bek en ik steek mn tong een klein beetje uit. Door de spiegel durft de jongen me aan te kijken. Hij vindt geen woorden en lacht breeduit. “Ik ben in staat je te kussen!”, zegt ie een beetje plagerig… Hij neemt demonstratief een slokje.

In de drukte van twee man voor en twee man achter de spiegel voel ik mij een beetje rustiger worden. “Ik ben in staat om te staan waar ik wil. Er is geen verschil tussen vroeg of laat. Waarom heb ik dan haast?” Ik praat tegen mezelf tot antwoorden veranderen in vragen en de lage tonen in mijn stem vertragen. De schijnheilige staten versmelten met woorden en heilig geluk. Ik eindig mn mono-onlogisch gespiegelde dialoog met: “Soms ben ik in alle staten, de verenigde staten van mezelf, dus ook gelukkig. Ik ben gelukkig” Iedereen zwijgt. Zonder verdere vertraging draai ik me om. “Ik ga mijn trein zoeken”, zeg ik.

De jongen staat nog voor de spiegel. Hij kijkt naar zichzelf. Zachtjes zegt ie:  “Vroeger… vroeger wilde ik ook gelukkig zijn…” Hij schrikt van zichzelf en neemt een te grote slok. Het gesprek dat ie met zichzelf voert gaat verder zonder woorden of geluid. Als ik mijn trein wil halen moet ik nu weg lopen maar ik blijf staan.

Hij kijkt me aan en zegt: “Alles gaat fout. In één klap heb ik alle staten opgeblazen en nu leef ik op straat. Morgen word ik zeventien en de vraag waar jij mee dood zult gaan heb ik al beantwoord. Geluk is geen ‘staat’ meneer. Geluk blijft over als alle staten verdwijnen. Haast of geen haast” Hij knipoogt en loopt glimlachend weg.

Hij heeft me besmet met zn glimlach al rijdt de tweede trein net voor mn neus weg.   

Mar10

blijft zichzelf in 2011

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

December

Waarin verschilt december van andere maanden…. ?”, vraagt ze me. De laatste zonnestraal van vandaag verdwijnt. “Tis de twaalfde maand, de laatste”, zeg ik. “Dat kan wel zijn….”, mompelt ze. “….Ik ben er niet dol op.

Ze is moe en gaat er niet op in.  Ze gaat verder. “O ja, Mart…. luister eens…. even over de vakantie… “. Ze bladert heen en weer in een agenda en loopt naar de kalender op het prikbord in de keuken. Ze mompelt wat en zegt: “Ik weet het eigenlijk niet precies…. Nienke heeft in de eerste week afgesproken met Jip en Fenna….” Ik zwijg als ik dat tafereel bekijk.

Ze staat op hoge hakken en is iets groter dan ik. Erg vrouwelijk en ze straalt een erg fijne energie uit. We zijn al meer dan tien jaar gescheiden en toch voel ik me nog steeds even fijn bij dr. Onze meiden zijn juwelen en zij draagt ze.

Ja weet je”, zegt ze, “de meiden worden groot. Ze maken afspraken en dan….”. “Dat weet ik toch”, zeg ik …. “De vakantie is pas over een maand of wat”. Ik pak een denkbeeldige agenda en zeg: “mijn agenda is leeg, als je het uitgeknobbeld hebt is ie dat nog steeds”.

Oké”, zegt ze van achteruit haar hoofd terwijl ze door puzzelt. “Fenna gaat bij Daan logeren en in het eerste weekend komt Jip. Nienke gaat daarna twee dagen naar Jip’s huis en dan is ze er vrijdag weer…. Trouwens,  mien zus komt zo met Roos en….  Koffie?”, zegt ze en ze kijkt me aan. Ze stapt zo uit haar agenda en loopt naar de waterkoker. “Ja”, zeg ik, “Goed idee!”

Aan tafel praten we wat. Fenna ligt op de bank en kijkt tv. Ze lijkt moe maar dat is schijn. Nienke is naar boven gegaan en zoekt haar vrienden op het internet. Ik hoor haar telefoon piepen.  Beneden gaat de telefoon ook en daarmee eindigt ons gesprek.  Ze pakt m op en loopt ermee naar de keuken….

Ik ben hier pas een half uur en raak nu al overweldigd. Alles beweegt en maakt geluid. Een geoliede machine. Agenda’s kloppen en brengen rust. Er brandt fijne wierrook, er hangen kleurige lampjes en de kaarsen maken het af. Het is warm.

Op tafel ligt er een schoolkrant en Fenna staat erin. Mét foto. “Ja leuk hé?”, zegt ze terwijl ze de kamer weer inkomt. Ik teken hartjes en sterretjes om de foto en zeg: “December….”. Ik teken verder.

“December is een donkere maand. Koud! De laatste maand van het jaar. In december zie ik  jullie bij kaarslicht. Bij de verwarming. He-le-maal klaar met dit jaar. Zo klaar dat jullie het volgende nog niet zien.”

Langzaam verschijnt haar lach. “Kleurige lichtjes en kaarsjes, ik zie ze nu zelfs in je ogen”, zeg ik. Zo dicht zijn we bij elkaar. December? Ik heb nu al zin in de volgende!” “Ja hé?”, zegt ze instemmend.

Met mooie sierletters schrijf ik “Miss December” onder de foto van Fenna.  Mijn plaatje is compleet. “December is af”, zeg ik hardop. “Ik loop naar de trein richting Het Bosch.” Ik knuffel ze één voor één, pak mn rugzak en stap de deur uit. Het is ijskoud buiten….

Je straalt”, zegt ze als ik de straat oversteek. “Jij ook”, zeg ik maar ik kijk niet om.

Ik straal verder december in.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Toen, nu en straks

Om half vijf sta ik op mijn balkon en hang~over het hekje te genieten tussen slapen en waken. De mist in mijn hoofd smelt samen met die erbuiten. Als ik me één voel met alles, dan gebeuren de dingen inééns….

Met de mist zweef ik naar deze ochtend drie jaar verder. Dan zit ik op het hekje. Vol energie…. Ik ben ouder en toch jonger. In alle opzichten. Met mn ongeschoren kop kom ik rechtstreeks uit bed. T-shirt en flubber~onderbroek aan. Uit het huis hoor ik dat Mark Rutten zijn dagelijkse column voordraagt. Ik verlang naar de straat, naar speed.

Mark is geen dag ouder geworden. Zijn columns wel. Ik geniet er intens van. Het is een kunstenaar die man. De best gesubsidieerde van het land en dat is hij waard. Hij boeit enorm. Mn glimlach vangt de eerste zonnestraal die door de mist breekt.

Het voelt rustiger om op het hekje te zitten. De rust overheerst over drie jaar. Er is iets wezenlijks veranderd. De stem van Mark? Het plekje? Ik…. of is het de tijd? Ik voel me sterk. Blij. Het lijkt alsof stress ontbreekt. Zoals in Mist…. Als toen, nu en straks samen komen.

Met een zachte: “fokt op”, rek ik me uit. Het is kil maar de zon is het gevecht van de mist aan het winnen. Alweer. Ik loop naar binnen voor koffie. Mark zegt: “Strengere normen en straffen”, in één zin. Hij kijkt serieus maar hij verraad zichzelf. Zn ogen glimmen. Hij gaat verder “…. die echt niet aan de slag willen…. broekriem….”. Voor Mark is het een spel.

Terwijl ik de tv uitzet zeg ik tegen Mark: “… en wat nou als ik niet eens een riem heb?” Hij kan niets meer terug zeggen. Misschien niet helemaal eerlijk van me. De echo’s van mn hersenspinsels galmen tussen die van Mark door. Mark’s woorden klinken nu zachter. De mijne klinken realistischer. Ik stap onder een hete douche, ga op de grond zitten en mijmer wat verder.

Toen zat ik aan de grond. Heerlijk eenzaam. Ik ging bovengemiddeld snel dood en genoot van elke seconde voor tien. Elf zelfs soms. Nat geregend in de zon, afkickend op een bankje op de hei. Dan weer high op een heuvel, midden in de stad, opgewonden van een bloem. Geen toekomst of spijt. Geen gister of haat. Toen was er geen toen, geen straks. Toen was alleen nu!

Nu heb ik een huis en wat geld om te eten. Als ik superzuinig leef kan ik een paar keer per jaar speed kopen. Niet meer want ik weet nog van toen. Nu ga ik boodschappen doen in het daglicht en knikken mensen beleefd naar me. De verkoper van de Zelfkrant is blij om me te zien. Ik zie hem ook. Soms ben ik bang dat ik straks indut. Ben ik nu nog wakker? Straks….

Straks zit ik tussen Mark en Geert op een hotelkamer. Maxime heeft een xtc-pil genomen en zit op zn knieën tussen mn benen. Mark vraagt me wat over het leven op straat en Geert zit te dutten. Ik ben wakker. Aan Mark vraag ik een handtekening in bloed en ik geef AL mijn paspoorten aan Geert. Tegen Maxime zeg ik dat hij lief is als ie niet praat. “Ik ga Nederland leuker maken”, zeg ik hard op en ik verraad mezelf. Mn ogen glimmen. Volgens mij weten ze het al.

Als mn hoofd weer helder is, droog ik me af en haal diep adem. De zon schijnt weer.  “Zo!”, zeg ik. “Alle mist is opgelost. Tijd voor de afwas!” 

Mar10

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Pleinvrees

Zoals ze het plein op komt lopen…. te laat en barstensvol beweging. Ze is helemaal verregend toch straalt ze als een zonnetje. Zelfs de lucht om haar heen trilt. Zo ken ik ‘r, al heb ik ‘r in geen jaren gezien. Ik moet naar adem happen…. Of nee, ik moet uitademen.

Als ze dichtbij komt, voel ik me rustiger worden. Het lijkt alsof ik minder opgewonden ben maar ik weet beter. Opwinding vult nu het hele plein in plaats van mij alleen. En zij? Ze glimt. Het duurt even voordat onze woorden echt iets betekenen. Ik hoor ze ook niet allemaal….

“Ik lees je verhalen al een half jaar”, zegt ze ineens. Ik kijk ‘r aan met een irritant krampachtige glimlach en zwijg wat door. “Soms zetten ze me aan het denken!” hoor ik doorklinken als ze even nadenkt. “Soms….” Wat zou ze bedoelen? Ze kijkt er serieus bij al beïnvloed het m’n glimgrijns nauwelijks. “Ze zetten je aan het denken….”, herhaal ik. “Wat leuk!” Als ik in haar buurt ben kan ik niet eens helder denken. “Soms zei je? …. Nou maak je me nieuwsgierig. Vertel! Wat denk je dan?”

Ze gaat op het bankje naast me zitten. Iets te ver want ze hupt met een soort hupje dichterbij. Ze kijkt naar het beeld van Sint Jan en hij kijkt terug. “Soms…. “, zegt ze, “Soms denk ik ineens aan wat er allemaal in jouw hoofd rond gaat. Ik bedoel in één hoofd! Ik vraag me dan af of je alles hebt verzonnen. Gewoon…. verhalen…. Tot ik ineens denk dat je zoiets niet verzint zonder….” Ze kijkt me aan terwijl ze praat en daar raak ik de draad kwijt.

Ze komt uit Veghel. Ik word altijd blij van die soort dialecten. Ze gaat verder. “Wat is er allemaal met je gebeurd? Ik kan me er niks bij voorstellen. Hoe gelukkig of ongelukkig ben je als je jezelf de hele dag boven water moet houden? Hoe hou je dat vol? Is het voor jou mogelijk om ooit rust te vinden?”

Haar serieuze blik raakt vermengd met een blije variant. De ontspanning vormt een meer natuurlijk gezicht om haar pretogen. Volgens mij heeft ze alle antwoorden al. “Ik weet het gewoon niet”, zegt ze zangerig. “Af en toe word ik er gewoon verdrietig van!”

Nu is ze niet verdrietig. Na een dipje straalt ze er weer lustig op los. “Ja”, zeg ik, terwijl ik opspring en begin aan een soort dansje. “Zou zwaar en geluk ook samen kunnen gaan? Is er rust in chaos….?”

Ik ga met mijn rug naar haar toe staan en ga verder. Iets harder en iets serieuzer. “Dit plein is altijd anders dan anders en toch maakt het me steeds blij. Het biedt al eeuwenlang ruimte aan hardwerkende en feestende mensen. Aan geliefden en zakkenrollers. Aan junks en aan Sint Jan de Evangelist”. Ik knik naar ‘m….

“In zomers beweegt hier alles. Er wordt op het plein gefeest, gekotst…. gepist. Bloed is hier gevloeid en op ijskoude winternachten is het hier angst wegjagend stil. Mist vormt dan een filmdoek voor geesten uit het verleden. Het plein leeft!”

Ik draai me om en praat iets zachter. “Soms liggen er een paar stenen uit en een enkele keer komen er mensen met geldingsdrang die het hele plein aanpassen aan de veranderende tijd”. ”Ik weet het niet”, zeg ik met een plagerig net-niet Veghels accent. “Af en toe word ik er vrolijk van”.

Ze komt voor me staan, kijkt me tien seconden aan en geeft me een kus op m’n neus. Gearmd lopen we onder grote druppels naar het midden van het plein. Ik knijp in haar hand en zeg….: “ergens heb je wel gelijk hoor. Mijn kop is soms net een plein”.

Ik leef!

Mar10

Geplaatst in Geen categorie | Getagged | Een reactie plaatsen

Het zonnetje schijnt en het regent….

“Waarom ben je toch steeds zo boos?”,  vraagt ie. Hij kijkt me aan maar ik ontwijk zijn blik. M’n hele lijf trilt. ”Ik ben niet boos. Ik ben woest!” Spuug vliegt in het rond bij het woordje “woest”. Ik weet het niet meer, niet meer waar ik precies ben of hoe ik heet. Alles valt weg.

Adrenaline giert door m’n lijf en ik word groter en sterker. Iedereen zet dan een stapje achteruit en anders doe ik het zelf wel.  “Ik schrik hier een beetje van”, gaat hij verder. “Dit zag ik niet aankomen. Kunnen we even terug gaan naar twee minuten geleden?”

“Ik zei dat je nogal onrustig op me overkwam en dat ik dat niet kon plaatsen. Je vertelde dat je het zwaar had. Nadat ik je even de tijd gaf om dat te verduidelijken viel er een stilte. Toen zei ik…. blabla…. murmel”

Ik hoor m niet meer. Tranen vermengen zich met snot en ik zit op slot. Boos, bang, blij, bedroefd, Adrenaline (C9H13NO3), Amfetamine (C9H13N). Eén pot nat. Het maakt me onbereikbaar.

Amfetamine heeft één voordeel. Ik kan de dosis bepalen. Als dat de juiste dosis is, geeft het macht. Adrenaline blijkt dan machteloos en verliest bestaansrecht. Ik ben in controle en dat is cool!

Zonder Amfetamine ben ik boos. Woest zelfs. In de winkel als ik in een rij moet gaan staan. Als ik moet uitkijken voor ik oversteek…. Als een Eend…. “Mar10! Ik raak je kwijt!” Geschrokken kijk ik op en m’n gedachte vervliegt met de Eend.

Hij is er nog. Ik ben er nog. “Ja”, zeg ik. “Ik raak mij ook kwijt. Dit gebeurt steeds. Heel soms kan ik het afwenden door te gaan slapen, door te gaan huilen. Ik heb duizend truukjes om die energie om te leiden maar daar red ik alleen het moment mee. Is het dat waard? Wat veroorzaak ik als ik die energie omleid? Wat veroorzaak ik als ik dat niet doe? Ik ben in de war en steeds als ik me  ontwar dan begint het opnieuw”.

“Ik ben boos! Woest zelfs, wat ik ook doe”. Hij laat weer een stilte vallen en ik pak m op. “Kijk”, zeg ik. “Stilte…. daar verlang ik naar. Stilte…. zonder uitleg, zonder vragen. Zonder verwachtingen of verplichtingen. Stilte van nature en elke afgeleide daar van. Stilte zonder meer”.

“Prikkels die binnenkomen, brengen me uit balans. De stilte die je voor me laat vallen is fijn totdat ik merk dat je wacht. Totdat ik voel dat je hoopt. Totdat ik merk dat je me aanmoedigt om die stilte op te vullen met mijn onzin. Alsof mijn onzin belangrijker is dan de jouwe”.

Hij blijft me aankijken. Wat is het toch een fijne man. Keer op keer helpt ie me een stapje verder en ik ben m zo dankbaar dat ik m wil kussen. Ik wil m kussen!  In plaats daarvan krijgt ie mijn zweetgeur, m’n spuug en een orkaan van willekeurig achter elkaar aanzwellende en kwetsende woorden.

Hij ziet dat de trekken in m’n gezicht verzachten en zegt….”Mart…. het is alsof er een orkaan voorbij komt. Stap ik bij jou in het oog van de orkaan dan kan ik je bereiken. Het voelt bijna als geborgen. Alles raast om je heen en toch is het stil. Als ik beweeg slok je me op, spuug je me uit en kijk je niet meer om. Dat wil ik voorkomen. Zie ik je weer volgende week? Weer op dinsdag om half elf?”

En weer flikt ie het. Ik veeg het snot van m’n gezicht en wrijf in m’n dikke rode huil-ogen. In de weerspiegeling van het raam zie ik mijn glimlach tevoorschijn komen…. Terwijl ik opsta zeg ik:  “mijn moeder zei het vroeger al…. (Mar)Tieneke lacht, Tieneke huilt. Het zonnetje schijnt en het regent, ’t is kermis in de hel!”. Een mooi plaatje.

Dat is het.

Mar10

Geplaatst in Columns | Getagged , , , | 2 Reacties

Als ik mezelf dingen wijs maak….

Op de terugweg loop ik door het park naar huis. De zon brandt al aardig. “Volgens mij is het pas half elf…. dat belooft wat”, mompel ik tegen mezelf. Ik heb geen geld meer voor de bus en ik probeer mezelf wijs te maken dat ik ook zou lopen als ik het wel had. Als ik mezelf dingen wijs maak dan kan er van alles gebeuren. Zoals gister….

Gister hing ik thuis op de bank. Het was nog heter dan nu. Ik had m’n T-shirt uitgetrokken en alle deuren en ramen open gezet. Toen maakte ik mezelf wijs dat ik een echte prof was. In training voor de WK deze herfst…. Ik had zelfs een heus sponsorcontract….

Terwijl ik moet grinniken over m’n hersenspinsels neem ik een overdreven aanloop. Juichend schop ik de eerste de beste steen weg. Zo het water in. Een domme gans springt van schrik op en gakt een paar keer op d’r hardst. Duidelijk beledigd draait ze om, stapt het water in en zwemt weg. Er liggen een paar veren op de plek waar ze net zat. Als ik dichterbij kom zie ik dat het grote zijn. Spierwitte. Ik stop de twee mooiste in mijn tas, draai een shagje en loop verder.

Ineens hoor ik iemand zeggen: “Mooi zijn ze hè, ik zit er al een tijdje naar te kijken!” Op minder dan drie meter van me af zit een oude vrouw op de grond. Naast een bankje. Met één elleboog op het bankje en een blikje bier ernaast kijk ze me glimlachend aan. Ze gaat verder: “Ineens sta jij daar. Waarom neem je die veren mee?”

Even twijfel ik…. Ik lijk wel gevangen door de onbevangen manier waarop ze me bekijkt. Na een paar seconden zeg ik: “Weet ik eigenlijk niet. Ik vind ze mooi. Misschien zet ik ze in het potje op tafel. Daar staan er meer in.…”.

Ze kijkt naar m’n shag. “Wil je er eentje voor mij draaien? Nee, twee!” Ik ga even op het puntje van de bank zitten en draai een paar shagjes voor d’r. De eerste heeft ze al aangestoken en ze zegt: “Mooie trap daarnet…. volgens mij vloog ie wel twintig meter voor ie bijna op de kop van die gans kwam…. je doet dat vast vaker!” Ik draai grinnikend verder en zeg: “Nou…. ik maak mezelf wijs dat ik in topvorm ben. Dit jaar ga ik zelfs naar de afsluitende finale op de WK. Je zou kunnen zeggen dat ik een prof ben…. Een prof met een sponsorcontract en al”. Op mijn tas staat het logo van UWV en ik wijs ernaar. Demonstratief neem ik een hijs van m’n joint en zij steekt een tweede shagje aan.

Ze stopt mijn aansteker in d’r zak en vraagt: “Is er een WK steentjes schoppen? Het moet niet gekker worden!” Ze neemt een flinke slok bier. “Nou…. eigenlijk wel”, zeg ik. “Veel gekker zelfs. Ik ga niet naar de WK steentjes schoppen…. Ik ga naar de WK Nietsnutten. Tegen steentjes aan schoppen om de tijd te doden is één van de verplichte figuren en zoals je zag…. iK ben in topvorm! Of ik de allerbeste ben weet ik niet maar als ik mezelf dingen wijs maak dan kan er van alles gebeuren”. Ze zwijgt en kijkt me aan….

Na een tijdje zegt ze: “Ja! Het zou je nog lukken ook. Je bent een echte…. een eigenwijze nietsnut! Wanneer is de finale?” Ik sta op en stop de shag in m’n tas. Terwijl ik de tas om mijn schouder hang zeg ik: “Mijn wedstrijd is veertig jaar geleden begonnen. In deze herfst is de finale. Op de WK. Ga je naar me kijken op tv?” “Tuurlijk”, zegt ze met fonkeltjes in d’r ogen.

Ze gaat weer op de grond zitten. Ineens zegt ze op serieuze toon: “Trap niet in hun valletje jong. Als een eigenwijze nietsnut de WK wint…. raakt ie alles kwijt.  Blijf eigenwijs of word eigendom!” Wat een prachtmens. Ik stel d’r gerust: “maak je geen zorgen. Ik ben wel gek maar niet dom!”.

Met een kus op d’r hand neem ik afscheid. In de verte hoor ik nog: “kan ik ook mee doen?” Ik roep: “Je doet al mee! Iedereen doet mee!”.

Kut wat is het heet….

Mar10

Geplaatst in Columns | Getagged , , , , | 1 reactie

moeten [moe•ten], ww.

Nu? Nu gaat het geweldig en juist dan voel ik het. Er knaagt iets aan me. Hier van binnen. Ik ken dit gevoel en het maakt me onrustig. Ik heb een huis, maandelijks wat geld om te besteden, een huisarts en een fiets. De hoeveelheden chemicaliën die ik in mijn neus stop of doorslik hebben een historisch dieptepunt bereikt. Ik kan weer mee doen…. of eigenlijk…. mag ik weer mee doen. Nee…. Ik moet. Daar wringt de schoen. Ik moet!

Een buitenmaatschappelijk leven op straat is niet altijd makkelijk maar wel eenvoudig. Het gaat over zaken zoals eten, drinken, warmte en slapen. Meer niet. Bij een gebrek daaraan zijn verdovende middelen prettig vervanging maar veroorzaken veel meer dan alleen een verdoving.

Belastingen, werk, shoppen en voetbal zijn niet meer dan flarden uit een nachtmerrie. Het gaat buiten niet over tijd, parkeergeld en beloftes. Oranje beesies kruipen over je heen als je gaat liggen in een bosje. Die uit een supermarkt leven een luxer levenloos leven. Ze kunnen het leven op straat niet aan en ik wel. Op straat doe ik wat ik wil. Wanneer ik het wil. Als ik het wil.

Nu “moet” ik weer. Ik moet niet van jou, niet van mijn kinderen of vrouw maar van een smerig log meedogenloos monster. IJskoud verzamelt ie AL mijn gegevens in een computer. Hij vindt dat het onderhand goed met me gaat al heeft ie me nooit gezien. Hij weet hoe ik heet, hoe oud ik ben, welke uitkering ik krijg en wanneer. Hij sommeert me soms geld in te leveren en soms krijg ik ineens geld terug. Als ik me verstop rond april krijg ik dreigbrieven. Brrrrrr!

Om me heen lijkt alles een kwestie van vrije keus. Als ik in de trein stap dan mag ik kiezen. Eerste klas of tweede. Altijd plaats, netjes en rustig of druk en smoezelig. In de eerste klasse reizen mensen die het kunnen betalen. Zo werkt het ook in vliegtuigen. Als ik naar de supermarkt ga dan is er een vergelijkbare keuze er. Er zijn A-merken, huismerken en merkloze producten. In de zorg kan ik me traploos keizerlijk of minimaal verzekeren. Er zijn lange en korte spijkerbroeken in alle kleuren en maten. Ik kan kiezen zoveel ik wil…. Behalve….

Behalve geen spijkerbroek. Geen treinreis. Ik kan winkels niet links laten liggen. Nu hier slapen en morgen daar kan niet. Leven in een land zonder snelwegen of gemeentelijke heffingen is uitgesloten. De cijfers van mijn sofinummer mag ik niet willekeurig aanpassen. Ik mag niet kiezen hoé ik over straat loop. Ik MOET meedoen. Ik moet geld verdienen en ik moet me passend gedragen. Ik doe het nog niet en toch begint het al te knagen.

Leven in een democratisch en stinkend rijk land is een voorrecht en ik begrijp best dat ik mijn aandeel daarin heb. Wat ik niet begrijp is dat ik niet de keuze heb om de allerbeste Mar10 te zijn die ik kan zijn.

De allerbeste Mar10 van de hele wereld en de Maaspoort krijgt geen uitkering. Hij woont in een gebouwtje van 2 bij 2 meter zonder verwarming, gordijnen of vloerbedekking. Stroom en gas heb ik niet nodig. Ik wil er geen tijd en energie voor inleveren. Min of meer mobiele telefoons, een privé oprit naar dé digitale snelweg en een flatscreen televisie zijn niet aan mij besteed.

Werken doe ik als ik wat wil eten en eten doe ik niet veel. Ik koop geen genetisch gemanipuleerde witte boterhammen met onzichtbaar bruine vezels in een plastic zak. Ik koop geen tien maanden houdbare vijfvoudig ingepakte koekjes die ik in 2 minuten verorber. Wassen kan met regenwater. Drinken ook. Geef mijn water maar aan mensen zonder regen. Wegen gebruik ik NOOIT en ik bezit niets. Zelfs geen beesten.

Zonder bespottelijk hoge “eerste klas” belastingen en een volstrekt belachelijke huurprijs voor een onnodig luxe paleisje op drie hoog red ik me zelf prima. Daar lever ik mijn uitkering graag voor in. Waarom heb ik die keus niet?

Leven zonder meer. Laat me toch. Stilte en eenvoud is per definitie niet te verdienen. Het is er. Voor iedereen en altijd. Vraag me geen geld voor iets wat ik niet wens te bezitten of wil gebruiken en ik vraag jou geen uitkering om dat te bekostigen. Deal?

Je hoeft niet direct te antwoorden want ik weet dat je het erg druk hebt. Neem er de tijd voor. Veel gekker dan nu kan het niet worden. Toch?

Mar10

Geplaatst in Columns | Getagged , | 1 reactie

Tot de grond toe afbreken

Met een trapper in m’n bebloede hand lig ik in de berm van het zonnetje te genieten. Hijgend. Één schoen heb ik aan en de andere zie ik zo snel niet. M’n linker schouder is flink gehavend. De bij deze trapper horende fiets ligt een flinke slinger verderop.

Dit keer heeft ie het echt begeven. Tientallen keren heb ik ‘m opgelapt als ie het opgaf en dat wreekt zich nu. Ik heb er roofbouw op gepleegd. Alles rammelt. De beldop is “missing in action”, er zit een flink slag in beide wielen, het achterlicht is ten prooi gevallen aan vandalen en de standaard is alles behalve standaard. Het zadel is al jaren gescheurd en nu is deze trapper afgebroken.

Zowel de situatie als m’n schouder is schrijnend.  Ik moet opstaan want thuis lijkt verder weg dan ooit. Mijn lijf verstijft en fietsen is uitgesloten. Snel raap ik de brokstukken bij elkaar en trek de andere schoen aan.

Met m’n fiets aan de hand en de zon in de rug loop ik slingerend richting Maas. “Tjongejonge!”, hoor ik een man-met-hondje mompelen….”die is niet meer te redden….”. Het is niet helemaal duidelijk of ie het over mij heeft of over de fiets. Met een perfect gevoel voor drama kreun ik bij elke stap en de fiets kreunt ritmisch mee. Wat een stel….

En nu? Wat nu? Repareren kan niet meer. Een andere kopen lukt niet want als ik een portemonnee had dan was ie zeker leeg. Jatten heeft wel iets avontuurlijks en het draagt bij aan mijn zuuronverdiende imago. Jammer genoeg is dat funest voor m’n gemoedsrust. De enige rust die ik mezelf soms gun.

Als we het kanaal passeren, raken we in een vreemdsoortige cadans. Piep, kraak, strompel, mompel, zonnebrand op m’n binnenband…. totdat…. totdat ik ineens lijk te versmelten met m’n fiets in de tijd. IJskoud.

Ik zie mezelf liggen in de sneeuw voor het politiebureau in Wijchen. Helemaal op. Dit keer heb ik het echt begeven. Tientallen keren ben ik opgelapt als ik het opgaf en dat wreekt zich nu. Ik heb  roofbouw op mezelf gepleegd. Alles rammelt. Mijn lijf verstijft van de speed, van de kou. Oplappen is dit keer uitgesloten…. loten….oten….

Klote! Er rijdt bijna een brommer over me heen terwijl ik struikel over een beldop die op het fietspad ligt. Een beldop zonder bijbehorende bel en fiets. Zou ie passen?
Met een beldop in m’n tas en het zout der aarde brandend in verschillende geschaafde lichaamsdelen loop ik de Maaspoort in. De wandeling heeft me goed gedaan. Ik weet wat me te doen staat.

Deze fiets krijgt in navolging van mezelf een tweede leven. Niet door ‘m op te lappen maar door ‘m tot de grond toe af te breken. De goede en functionele delen bewaar ik en komen terug in de verbeterde versie van Fiets. De delen die stuk zijn of niet meer bijdragen aan mijn visie op Fiets dank ik af.

Roestplekken zal ik met zorg verwijderen en  met verf of de mantel der liefde bedekken. Ik ga er de tijd voor nemen. Deze fiets is pas veertig jaar oud en heeft in potentie een levensduur van minimaal tweemaal zoveel jaren. Mooie jaren….

Ik zet m’n fiets in de schuur en leg de beldop ernaast. Morgen ga ik beginnen…. Ik sluit m’n schuur en strompel vier trappen op. Met de sleutel in m’n hand blijf ik even staan. Heel even maar.

Langzaam loop ik terug naar m’n schuurtje. Ik pak de beldop en poets ‘m eens flink op. Ik zie mezelf glimlachend in de beldop en fluister… Morgen? Morgen bestaat niet…. !
Auw!

Mar10

Geplaatst in Columns | Getagged , | 6 Reacties

Kloostertuin

Het is vroeg als ik opsta. In het klooster gaat dat als vanzelf. Als het donker is rust ik en met het licht word ik wakker. Zonlicht. Ik loop slaapdronken naar beneden, rechtstreeks de tuin in. Muk staat al op me te wachten….

Net vóór ie zijn allermooiste kukel wil kukelen sta ik voor z’n neus. Met één oog open kijkt ie onmiskenbaar trots naar me. Dat duurt maar heel even want hij heeft honger en z’n enige kippie ook. Hij duwt me een beetje richting schuur. Richting ontbijt. Met zijn koppie tegen mijn knie loodst hij me zonder omwegen door de kloostertuin. Z’n kippetje blijft lichamelijk op gepaste afstand terwijl ze m’n hoofd vult met zorgeloze tokkeltjes.

De ochtend is begonnen met het mooiste licht van de dag. Met een grote mok koffie nestel ik me midden in de tuin. De flinterdunne zonnestralen spoelen me schoon. Muk en z’n kippie tokkelen of kukelen beurtelings met volle bek en kraaien cirkelen kraaiend om de kerktoren. De kikkers maken een hels kabaal en tussen de hommels, vlinders en libelles hoor ik geluiden uit het verleden. Flarden. Dit is niet zo maar een tuin.

Om de tuin staat een muur. De muur houdt niet zozeer het leven van buiten buiten. Hij houdt het leven van binnen binnen en het leven gedijt er goed. Iedereen die nu naast me wil komen zitten krijgt koffie en zal knikken bij het horen van die zin.

Hier, precies op deze plek heb ik voor de eerste keer besloten om mijn leven nog een kans te geven. Mijn leven zonder speed. Ma Wil die de zorg voor het klooster en de tuin er omheen overnam,  liet me binnen toen ik geen andere plek had. Nu is het ook mijn plek. Hier breng ik geen rottigheid meer naar toe.

Als Poes iets te dicht bij kippie komt gaat Muk rechtop staan. Muk zet één stap richting Poes en Poes draait om met een pesterige “mrauw”. Alsof een echo dat moment wil onderstrepen klinkt er een schelle “mauw” van een Steenuil achteraan en “KOFFIE!”

Gasten, vrienden, bewoners en bewonderaars starten de dag samen. Met koffie zonder zorgen en licht gebakken koekjes. Ma Wil vertelt dat de gemeente een plan heeft ontvangen voor de bouw van huizen in de tuin. Voor het omvormen van het klooster en de kerk in appartementen…. Ik verstijf ….

Het wordt stil. Ik word stil. Mijn adem stokt zelfs maar ma praat door. Ik kijk naar de tuin en hoor haar stem langzaam verdwijnen terwijl ik met een half koekje naar de vijver loop. Als ik me omdraai zie ik het klooster en de kerk.

Deze grond, de tuin en het gebouw is bijzonder. Degene die er zorg voor dragen en droegen begrijpen dat. Hier mag iedereen komen die er kracht uithaalt en instopt. Mensen die er komen gaan weg en komen weer terug.

In het water van de vijver zie ik mezelf staan. Ik vraag hardop: “Zou ik ook glimlachend met de tranen in m’n ogen koffie mogen drinken in de tuin van een eigenaar? Zou ik….?”

Het is vijf voor twaalf. Ik wacht nog even op de klokken voor ik verder ga. Nog even….Nog even licht.

Mar10

Geplaatst in Columns | Getagged , | Een reactie plaatsen

Minder dan niets

Kijk daar gaat het dus mis. Daar gaat het goed mis. Steeds als ik mezelf tot de grond toe afbreek met grote hoeveelheden drugs, met meditaties, medicatie of andere hardloopwedstrijden zonder finish komt er een punt dat ik niet verder kan. Dan moet ik verder. Verder met minder dan niets.

Met minder dan niets ben ik op m’n best. Zonder geld of eigen plek ben ik gelukkig. Niemand kan me dan raken. Er is niets meer waarmee ik in bedwang gehouden kan worden. Dreigementen of beloningen hebben geen vat meer op me. Dan voel ik me vrij.
In Nederland mag dat alleen als ik zwaar psychisch gestoord ben. Al dan niet chemisch geïnitieerd of in stand gehouden.

Pas als ik een dansje maak met de agent die me opraapt omdat er een naald onappetijtelijk in m’n arm is blijven hangen, mag ik mezelf zijn. Als ik narcissen omhels en spoken ongegeneerd uitdaag om me te pijpen…. dan laten ze met rust.

Rust. Eenmaal met rust durf ik me iets meer te openen. Ik hoor weer mensen om me heen. Mensen die net als ik gelukkig zijn. Harde werkers en priesters. Jong vrijgestelden en oude flierefluiters. Kinderen die buiten spelen in de regen. Mensen die honden uitlaten en vol enthousiasme vertellen over Bello’s blauwe bijtring. Ze zijn net als ik…. anders. Hoe doen ze dat toch?

Nienke kijkt me aan en zegt: “Pap, gaan we zo?. Ik wil naar de stad”.” Sjoppuh!”, schreeuwt Fenna huppelend. Ze hebben meer geld dan ik, m’n meskes. Hun moeder snapt hoe het werkt met geld. Ze zigzagt overal tussendoor. Vroeger offerde ze zichzelf er voor op maar nu doet ze het anders. Ze wordt steeds mooier.

In rust lijkt alles mooier. Langzaam ebt noodzakelijke drukte weg en heb ik geen gekte meer nodig om me vrij te voelen. Ik heb zelfs een huisje. Midden in het bruisende hart van Den Bosch. Als ik vijf euro over heb dan geef ik het aan mijn meiden al kan ik dan twee dagen niets eten.

Morgen komt Mira. Mira en ik vinden elkaar zo leuk dat we vaak bij elkaar te vinden zijn. Ze snapt dat ik vrij wil zijn en probeert dat ook te accepteren. Het lukt haar niet zo goed maar dat is niet zo verwonderlijk. Het lukt mij ook niet zo goed.

Vrij zijn in rust is zo moeilijk. Vrijheid is begerenswaardig. Als ik rustig ben hebben mijn meiden me nodig om zichzelf neer te kunnen zetten in de hectiek om zich heen. Ik moet zelf een formulier invullen want het gaat goed met me. Geld van jou voor mij.

Geldt dat ook voor jou?. Weer betaalt Mira mijn shag en goede speed is bijna nergens meer te krijgen. Gister reed ik fluitend door de stad op een fiets zonder licht een agent voorbij…. Met de belofte het licht te repareren mocht ik door rijden….Ik kwam met de schrik vrij. Waaaaaaaaaaaaaaa! Vrij?

Kijk daar gaat het dus mis. Daar gaat het goed mis. Steeds als ik tot rust kom zonder grote hoeveelheden drugs, meditaties, medicatie of andere eindeloze hardloopwedstrijden komt er een punt dat ik niet verder kan. Dan moet ik verder. Verder met minder dan niets.
Verder met….

Mar10

Geplaatst in Columns | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Flierefluiters gezocht [m/v]

Op een formulier van de belasting kriebel ik een rijmpje. Ik fluit een liedje met de-eerste-de-beste Merel mee. Bij m’n handtekening teken ik een lachebekje. Het lijkt me zo saai om alleen maar cijfers en kruisjes te controleren. Secuur, netjes, altijd op tijd en het overgrote deel zonder fouten.

Ik druk m’n joint uit en loop richting stad. Misschien ga ik zelfs de stad ìn. Gewoon…. Op zoek naar een brievenbus of zo iets. Het is  bijna half zeven en dan is het op zondag nog rustig. Kijk, de zon kondigt zich net aan. Nu is ze op haar mooist. Dat vindt de Merel ook.

In het tunneltje staan drie kinderen stil bij een  fiets. Een meisje kijkt boos en schopt tegen de band. Ze gooit haar armen omhoog met erachteraan: “KUTFIETS…. Godverdomme!”. Een veel kleiner jochie zegt: “Je moet gewoon doorfietsen!”. Hij grijnst erbij. Het andere jochie zwijgt want het meisje wordt bozer en bozer. “Ja dat kan niet meer met die kutfiets. Hij doet het niet meer!”

Het tafereeltje is vermakelijk en ik ga iets langzamer lopen. Het meisje is nu woest. Als ze merkt dat ik vertraag, roept ze: “Hee…. Sta daar niet zo stom te lachen…. Godverdomme! Je moet niet lachen, je moet HELPEN! Stomme kutfiets!” Ik blijf staan tot de echo uit het tunneltje is verdwenen. Als ze me aankijkt, zie ik mezelf in haar ogen. Ik glimlach.

De fiets is inmiddels gevloerd. Het achterwiel zit muurvast. De snelbinder zit strak tussen een paar spaken en het wiel is niet vooruit te krijgen. Ik draai het wiel terug. Terwijl ze door kwettert zeg ik tegen haar: “Zo. Hij zat klem. Ik heb ‘m even terug gedraaid naar toen ie het nog deed. Probeer het nu nog maar eens”. Het gevloek gaat via gekwetter naadloos over in: “Dank u wel meneer ….als mijn fiets kapot is wordt mijn vader heel boos en dank u wel meneer. Fijn!”. Ze is geen seconde stil. Ze stapt op en fietst lachend weer verder. Verder de stad in. Net als ik.

Het wordt al drukker op straat. Aan de overkant van de brug loopt een man. Fluitend. Hij heeft z’n handen in z’n zakken en zijn broek is te kort voor de tijd van het jaar. Ik fluit met hem mee zolang m’n glimlach het toestaat.

Volgens mij zijn we ongeveer even oud. We fluiten in ieder geval even mooi. Het is vast ook een papa. Zou hij gescheiden zijn? Hij ziet er gelukkig uit. Hij straalt zelfs en zijn liedje is vrolijk! Een vreemde fluiter; zelfverzekerd. Wat zit z’n haar netjes….

De man stapt in een prachtige auto en rijdt weg. Hij toetert als ie voor me langs afslaat. Een beetje in de war begin ik te grinniken…. Ik lijk wel verlegen. Hihi. Volgens mij was is het een echte. Een Flierefluiter. Ik ziet ze steeds vaker en op de raarste plekken.

Als ie ver genoeg weg is, draai ik me om. De lucht is nu helemaal open. Morgen wordt weer een zondag voor mij. Als de zon tenminste durft. Aan mij zal het niet liggen…. “Aan mij niet!” Fluitend loop ik verder. Naar de volgende misschien. Tot zo!

Mar10

Geplaatst in Columns | Getagged | Een reactie plaatsen

‘Sven THE man’

‘Sven THE man’

Hij is er klaar voor. Dit wordt zijn lente. De mooiste van z’n leven. Als ik naar Sven kijk raak ik bevangen door respect. Hij gaat naar de Olympische spelen en hoe!
Begin twintig is ie. Leuk joch om te zien. Hij wint bijna alles met overmacht. Soms lijkt het zelfs alsof er niemand anders heeft meegedaan. Sven staat al te springen op het hoogste blok met een duidelijke ‘1’ erop als nummer twee afgemat de lijn passeert. De twee blokken ernaast dragen geen noemenswaardig nummer en lijken niet hoger dan een broodtrommel.

Jaar in jaar uit is ie omringd met mensen die hem begeleiden om ‘Sven the man’ te zijn. En dat is ie steeds weer. Vol trots, vol strijdlust, vrolijk, afgetraind en met nooit haperend kritisch-realistisch zelfbeeld.

Hij leeft een leven in de naam van sport en iedereen kijkt mee. Sterker nog, als Sven wint, krijgt zeven procent van Nederland korting op de gasrekening. We zijn vóór Sven en staan achter hem. Orgastische taferelen rondom de schaatsbaan sieren het tv-scherm van honderden miljoenen nadat Sven met twee vingers in zijn neus finisht. Plagerig schaatst hij de laatste dertig meter achteruit.

Het lijkt hem niet te ontwrichten. Hij schaatst. En daar is ie toevallig goed in. Hij leeft alles wat ie wil leven. Niemand waagt het om zijn superioriteit ter discussie te stellen dus legt hij aan niemand dan zichzelf verantwoording af. Huisje hier, etage daar. De betere hotelkamers met goede bedden. Wordt geregeld.

De beste artsen, fysiotherapeuten en diëtisten, prachtige kuiten en billen, materialen uit top-secret hightech laboratoria. Steeds gaat hij sneller. Alles wat Sven kan brengen tot een betere prestatie dan zijn vorige krijgt hij op een presenteerblaadje. Tot ie sterft.
Ik vraag me af wat ie nu aan het doen is. Als hij straks met minstens twee of drie gouden medailles thuis komt wordt zijn naam in het register aller registers opgetekend. In sierletters van bladgoud. Wat doet dat met hem? Nu!

Op tv loopt ‘THE man’ ontspannen in trainingspak vrolijk naar de ijsbaan. Muts op. Het puntje van z’n neus en zijn oorlellen zijn vuurrood en er komen wolkjes stoom uit z’n mond. Hij zwaait en kijkt vrolijk over zijn schouder terwijl hij na een hupje stevig door loopt. Een snotneus. Hij lijkt ontspannen. Hij ís ontspannen. Op m’n asbak ligt een jointje te roken. Ik neem nog een hijs en begin te glimlachen terwijl ik er naar kijk.

Voor me ligt een stapeltje papieren en ik blader er doorheen. Er zitten twee identieke dagvaardingen tussen waarvan één aangetekend. Een rechter-commissaris dwingt me om te getuigen tegen iemand die me speed brengt als ik dat nodig heb. Zal ie  het begrijpen als ik die jongen daarvoor in de rechtszaal, met heel m’n hart bedank?

Eigenlijk zou ik half Nederland moeten rond rijden om de allerbeste speed te zoeken, het laatste restje ervan voor zijn neus opsnuiven en dan met een strak gezicht de ontkosten ervoor declareren.

Er zit ook rekeningen en berekeningen tussen van de belastingsdienst. In de brief staat dat ik teveel geld heb gekregen. Veel te veel geld. De dienst heeft een foutje gemaakt en nu moet ik het geld terug geven. Ik heb het gekregen zonder dat ik begrijp waarom en moet het terug geven nu  het er niet meer is.

Met mijn hoofd in mijn handen en mijn ogen dicht zucht ik diep. Soms…. heel soms word ik er gek van. Dan zit ik net voor het startschot ergens in een donker hoekje alleen te huilen of te lachen…. naar Sven. Hij schaatst naar een gouden medaille. Zonder tegenstander.

HUP SVEN!

Mar10

Geplaatst in Columns | Getagged , | 1 reactie