Hoor ik boven de tonen van mijn Ipod uit

Hoor ik boven de tonen van mijn Ipod© uit: “Meneer wilt u even afstappen!”. Vanuit een andere wereld hoor ik mezelf zeggen… “sorry, ik hoorde u niet.” De agent die achter me aan loopt, begint voor ik stil sta met: “Goede middag meneer, u begrijpt vast wel waarom we u staande houden!”. Met mijn gedachte halverwege “the dark side of the moon” en een regenachtige aarde kijk ik hem vragend aan. “Reed ik door rood?”.

“Nee, dat is vast niet de reden”. “Die mevrouw voor me reed ook door en die rijdt verder”. “U zult nog wel een reden hebben”. “Gaan we bij de hand doen?”, vraagt hij nogal streng. Ik slik nog net op tijd in dat ik dat irritant vind, als agenten bij de hand met mij mee gaan doen. Als ik bij de hand doe is dat vaak verwarrend genoeg. Om te verdoezelen dat ik op mijn tong bijt houd ik mijn mond dicht.

“Bent u eigenaar van deze fiets?”, gaat hij onverstoord verder. Hij loopt om mijn fiets heen, veegt even over de weg gevijlde nummers en mompelt iets over gevaar op de weg. Ik schrik. Om wat tijd te rekken vraag ik: “Is dat een strikvraag?”. Mijn tactiek werkt want hij raakt geïrriteerd en zegt: “U bent niet verplicht om antwoord te geven op mijn vraag”.
Op dat moment besluit ik mee te spelen.

Er was geen weg meer terug. Hij beseft niet dat ik ‘m één van mijn doodlopende steegjes in lok. Geen muziek meer in mijn oren. Geen donkere maan of regen. Nu sta ik naast een geïrriteerde agent. Beroepsmatig op scherp.

“Een open deur lijkt me zo”, zeg ik tegen hem, terwijl ik hem met kolkende aderen uitdagend rustig aankijk. “Een open deur zei u?” Zijn irritatie veranderde in verbazing. “Natuurlijk”, zei ik, “het lijkt me voor u ondoenlijk om mij te verplichten tot antwoorden”. Zonder tussenpauze ga ik verder met zoiets als: “…maar om terug te komen op uw vraag, voordat u denkt dat ik u niet serieus neem..”

“Volgens mij ben ik formeel-juridisch gezien niet de eigenaar van deze fiets, al weet ik dat niet helemaal zeker”. “Misschien kunt u me helpen gezien het feit dat u bent opgezadeld met de handhaving van de Nederlandse wetgeving”. “Het lijkt het me dat uw kennis daarvan groter is als die van mij”. “Het zit zo”. “Vorig jaar heb ik drie maanden in crisiscentrum ‘De Viersprong’ gewoond want het ging niet zo goed met mij”.

“Toen ik daar een tijdje woonde merkte ik op dat er op het terrein van ‘De Viersprong’ een aantal fietswrakken in de fietsstalling stonden”. “Ik heb aan de dienstdoende maatschappelijk werker toestemming gevraagd om daar één werkende fiets van te maken”. “Dat vond ze een goed plan”. “Achteraf gezien valt natuurlijk te betwijfelen of de betreffende medewerker bevoegd was hierover te beslissen, maar….. voilà”. “Dit is het resultaat”. Ik sta trots naar de fiets te kijken en wijs ernaar alsof het een Harley is.

Volledig opgegaan in mijn afleidingsmanoeuvre ga ik verder. “Ik woon in mijn eigen huisje nu en heb deze fiets mee genomen”. “Deze fiets brengt mij nu, ruim een jaar later, nog steeds waar ik wil zijn”. “En eerlijk gezegd heb ik me nooit afgevraagd van wie deze fiets allemaal zou zijn”. Ik keek op en zag dat ik hem volledig kwijt was geraakt. Heel even dan. Want stiltes zijn eng en zijn eenvoudig te verjagen met het standaardverhaal.

Hij zei: “En u reed daarmee door het rode licht!”. “Ongelofelijk!”. “Wat een veerkracht heeft die man”, dacht ik nog. Ik probeerde nog even met: “…. maar kunt u me misschien vertellen of ik eigenaar ben van deze fiets?”. Inmiddels, met zijn benen wijd, armen over elkaar en een gezicht voorzien van een zelfverzekerde glimlach, zegt ie…”Dat zou ik best kunnen, maar ik vertel u liever dat ik u voor het rijden door het rode licht ga bekeuren”.

Pats. Weg prachtig verhaal. Niks doodlopende weg. Ik keek ‘m een beetje beteuterd aan. Misschien daarom vroeg ie nog: “Maar waarom reed u door rood?”,  met een toon alsof het antwoord er toe zou doen. “Om eerlijk te zijn”, zei ik, “ik fietste helemaal alleen in een wereld zonder rode lichten”. “En weet u, in die wereld gebeuren geen ongelukken”.

Hoopvol keek ik ‘m aan. Meer dan 10 seconde. Zonder woorden. Zag hij dat mijn wereld even echt was als de zijne? Hij lacht hard op nu en zegt: “Rijdt u maar door meneer”. “De volgende keer beter op de verkeerslichten letten en een fijne dag verder”. “Zal ik proberen”, zeg ik als ik door rij. Verder was het een fijne dag. De bekeuring liet hij voor nu achterwege. Hij weet dat ie me weer zal treffen. Waar dan ook.

Dit bericht is geplaatst in Columns. Bookmark de permalink.

1 Reactie op Hoor ik boven de tonen van mijn Ipod uit

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>