Op een formulier van de belasting kriebel ik een rijmpje. Ik fluit een liedje met de-eerste-de-beste Merel mee. Bij m’n handtekening teken ik een lachebekje. Het lijkt me zo saai om alleen maar cijfers en kruisjes te controleren. Secuur, netjes, altijd op tijd en het overgrote deel zonder fouten.
Ik druk m’n joint uit en loop richting stad. Misschien ga ik zelfs de stad ìn. Gewoon…. Op zoek naar een brievenbus of zo iets. Het is bijna half zeven en dan is het op zondag nog rustig. Kijk, de zon kondigt zich net aan. Nu is ze op haar mooist. Dat vindt de Merel ook.
In het tunneltje staan drie kinderen stil bij een fiets. Een meisje kijkt boos en schopt tegen de band. Ze gooit haar armen omhoog met erachteraan: “KUTFIETS…. Godverdomme!”. Een veel kleiner jochie zegt: “Je moet gewoon doorfietsen!”. Hij grijnst erbij. Het andere jochie zwijgt want het meisje wordt bozer en bozer. “Ja dat kan niet meer met die kutfiets. Hij doet het niet meer!”
Het tafereeltje is vermakelijk en ik ga iets langzamer lopen. Het meisje is nu woest. Als ze merkt dat ik vertraag, roept ze: “Hee…. Sta daar niet zo stom te lachen…. Godverdomme! Je moet niet lachen, je moet HELPEN! Stomme kutfiets!” Ik blijf staan tot de echo uit het tunneltje is verdwenen. Als ze me aankijkt, zie ik mezelf in haar ogen. Ik glimlach.
De fiets is inmiddels gevloerd. Het achterwiel zit muurvast. De snelbinder zit strak tussen een paar spaken en het wiel is niet vooruit te krijgen. Ik draai het wiel terug. Terwijl ze door kwettert zeg ik tegen haar: “Zo. Hij zat klem. Ik heb ‘m even terug gedraaid naar toen ie het nog deed. Probeer het nu nog maar eens”. Het gevloek gaat via gekwetter naadloos over in: “Dank u wel meneer ….als mijn fiets kapot is wordt mijn vader heel boos en dank u wel meneer. Fijn!”. Ze is geen seconde stil. Ze stapt op en fietst lachend weer verder. Verder de stad in. Net als ik.
Het wordt al drukker op straat. Aan de overkant van de brug loopt een man. Fluitend. Hij heeft z’n handen in z’n zakken en zijn broek is te kort voor de tijd van het jaar. Ik fluit met hem mee zolang m’n glimlach het toestaat.
Volgens mij zijn we ongeveer even oud. We fluiten in ieder geval even mooi. Het is vast ook een papa. Zou hij gescheiden zijn? Hij ziet er gelukkig uit. Hij straalt zelfs en zijn liedje is vrolijk! Een vreemde fluiter; zelfverzekerd. Wat zit z’n haar netjes….
De man stapt in een prachtige auto en rijdt weg. Hij toetert als ie voor me langs afslaat. Een beetje in de war begin ik te grinniken…. Ik lijk wel verlegen. Hihi. Volgens mij was is het een echte. Een Flierefluiter. Ik ziet ze steeds vaker en op de raarste plekken.
Als ie ver genoeg weg is, draai ik me om. De lucht is nu helemaal open. Morgen wordt weer een zondag voor mij. Als de zon tenminste durft. Aan mij zal het niet liggen…. “Aan mij niet!” Fluitend loop ik verder. Naar de volgende misschien. Tot zo!
Mar10