Loslaten

“Natuurlijk hou ik van je”, zegt ze. “Dat weet je toch?” Ik zit met mn hoofd in mn handen op de bank. “Blijf bij me voor altijd… gewoon… hier…”
In één adem gaat ze door. “Morgen en overmorgen ga ik naar mn moeder want ik moet geld zien los te krijgen voor de boeken van Dinand. Ik heb het gewoon niet. Ik ga mn best doen om nog meer te werken. Heb jij tijd om met Mo te gaan wandelen? Hij is al dagen niet uit geweest…”
Als ik mn tranen weg veeg zie ik dat ze niet naar me kijkt terwijl ze praat. “Straks ga ik Djembé spelen… jij hebt zeker geen zin… en o ja, vrijdag ga ik borrelen met een paar collega’s”  Zachtjes zeg ik: “vrijdag komen mn meiden…”, maar ze hoort me niet. “… en zaterdag is het taxibeurs in de RAI. Had ik dat al verteld?”
Terwijl ze praat rent ze door het huis. Ze dweilt de vloer die ik net heb gedweild en loopt vlug naar de schuur om de was uit de droogtrommel te halen.  Als ze weer binnen komt gooit ze de was nonchalant op de bank. Met mn mouw veeg ik de snottertranen van mn gezicht en begin te vouwen. “Ik ga de ramen doen”, zegt ze en ze loopt naar buiten.
Door het raam kijk ik naar dr. Ze ziet me niet. Ik hou van dr met heel mn hart maar ze ziet me niet. Ik hou niet alleen van haar maar ook van dr kinderen. Na lange omzwervingen door  grote steden, over straat en in opvanghuizen voel ik me sinds tijden weer ergens thuis.
Terwijl ze terug naar binnen rent zegt ze: “Het wordt wat later vanavond. Ik heb een extra rit en als ik thuis kom moet ik meteen weer weg…” Ze geeft me een kus en kijkt me even aan. “Vandaag heb je niet veel aan me want ik wil op tijd naar bed. Morgen moet ik weer vroeg beginnen…”. Ze zegt: “Tot straks lieverd” en weg is ze. Het is half elf.
Als ik om me heen kijk zie ik dat ik alleen ben. Zelf haar lichaam is er niet meer. Ik ben in een leeg huis. Weer raak ik de weg kwijt in de vaart der volkeren. Haar vaart. Haar volkeren.  Haar werk, haar kinderen en haar huis. Haar hond, haar vrienden en haar geldzorgen. Ik raak verloren tussen alle drukte en ze ziet me niet. Ik wankel.
Mo kijkt me met zn grote ogen aan en heeft de riem in zn bek. Ik sta op en ga een rondje met hem lopen. Gelukkig regent het. Drie jaar heb ik alles met dr gedeeld en van die drie jaar bleek ik het laatste jaar niet de enige. Hardop zeg ik tegen Mo: “Ik was niet de enige Mo, en jij wist het!” Mo kwispelt vrolijk.
Kletsnat loop ik nog een keer door het huis en pak mn spullen in. Overal staat mn naam op. Alles heb ik aangeraakt en nu moet ik loslaten. Ik moet weer verder.  Ik ben vaker in deze staat geweest en ik heb geleerd om dan niet impulsief te reageren al lukt me dat nooit. Loslaten doet pijn.
Met het eten op tafel wacht ik tot ze thuis komt. Als ze binnenkomt glimt ze helemaal en ze geeft me een fijne knuffel en een lange kus. “Heb je een fijne dag gehad?”, vraagt ze. Zonder op het antwoord te wachten praat ze verder en ze loopt de keuken in. Stilletjes glip ik de achterdeur uit…
Onderweg naar huis kom ik tot rust. De maan knikt begrijpend naar me. Ik voel me opgelucht al mis ik dr nu al.
Zou ze mij al missen?

Geplaatst in Columns, Geen categorie | Getagged , , , , , | Een reactie plaatsen

Reuze~Serieuze WoordenWorstelaar

Het is bijna 2012 en doodstil op straat. Achter gesloten gordijnen wordt in roodgloeiende huizenblokken op bijna orgastische wijze feest gevierd. Niemand ziet me hier. Ik loop dik ingepakt zigzaggend langs ramen en geniet van de geurtjes vermengd met geluiden en lichtjes. De overdadige walm van alles wordt slechts af en toe onderbroken door stilte.

Nu pas voel ik hoe moe ik ben en hoe blij. Ik heb nog nooit met zoveel allesverslindende hoop naar een nieuw jaar uitgekeken. “Bijna!”, zeg ik hard op en zag na een zig. 2012 is een bijzonder jaar want dan sta ik er alleen voor. Voor het eerst in mijn leven echt alleen. Een koude rilling die zelfs de wind laat huiveren doorloopt me van top tot teen.

Eng hoor. Eng, mooi en groot. Geen psychotherapie meer, geen begeleiders. Ik sta niet meer onder curatele. Mila’s boekhoudkundige strengheid en haar haastige lach zal ik missen. Mila zal vooral mijn tranen missen. Mijn contact met de verslavingsarts wordt overgedragen aan een huisarts die ik niet ken en mijn dossier gaat naar de groene kast.

Alles wat ik nodig heb om hulpeloos en alleen verder te gaan heb ik. De rest ben ik kwijt. Als ik over mn schouder kijk zie ik de bergen mooie en minder mooie plekken, mensen en dingen die ik achter me heb gelaten. Waar ik nu loop, lopen mn meiden in het echt of in mijn gedachten altijd naast me en als ik vooruitkijk word ik stil. Stil van binnenuit.

Net voordat ik thuis ben, lijkt het wel of de stad ontploft! Wankelende hevig dampende mensen komen allemaal tegelijk uit duizenden huizen en steken alles in de fik. Vuurpijlen en duizendklappers schieten weg en terug. In de chaos glip ik als een dief in de nacht mn huisje binnen voordat iemand me aanspreekt. Met mn rug tegen de muur haal ik diep adem en zeg: “2012… Ik ben er… Ik wens je veel gelukkige mensen toe!” Dan sluit ik even mn ogen en zwijg glimlachend.

Zonder bollen, flappen of champagne maar met een dekentje onder mn arm, loop ik het balkon op. Deze reuze~serieuze woordenworstelaar heeft me tot hier gebracht en omdat ik dat fijn vind, wil ik er even ijskoud bij stilstaan. Misschien iets te melodramatisch leun ik tegen het hekje van mn balkon.

Mijn schulden zijn vereffend en niemand is boos op me. Het aantal vierkante kilometer waarin ik me goed voel groeit gestaag. Mn verlangen naar speed is getemperd en “de straat” loopt door mijn huis. Niemand eist mn positieve of negatieve aandacht op en ik kan me een klein rustig leven veroorloven. Hiervoor deed ik het. Nu kan ik mezelf zijn.

Het lijkt alsof ik me nu al lichter voel. Met een tussenhupje spring ik op mn balkonbank en nestel me in. Wat net nog op een ontploffende stad leek ontvouwt zich op een afstandje als een prachtig kleurenspektakel. Oorverdovende knallen en fluitende fliefjes overbluffen het geschreeuw op straat en misschien nog wel belangrijker… mijn verwarde gedachtes.

Met de eerste joint van het jaar zak ik onderuit. Knallen en echo’s van mensen versmelten langzaam tot een warme stoom waarop ik wegdrijf richting slaap. Mijn Don Quichot-achtige gevecht tegen alles en iedereen die wat van me wil hebben of iets wil komen brengen, komt morgen tot een bestand. Morgen. Als ik wakker word.

Net voordat mn lichtje uitgaat mompel ik… Is mijn queeste voltooid? Stopt het gevecht daar mn waarde Sancho? Sancho…?

 

 

Mar10*

*wenst iedereen in 2012 één rustige dag toe

Geplaatst in Geen categorie | 2 Reacties

Het leven verspellen…

Mijn hoofd zwijgt niet. Nooit. Delen ervan zoals mn mond kan ik africhten of -dichten maar mn totale hoofd niet. Ik denk zonder meer na en voor en als ik me goed voel, overpeins ik dat. Zoals nu. Slapen lukt me niet langer dan twee uur achter elkaar en als ik daar bij stil sta snap ik wel waarom.

De drang naar rust in mijn hoofd groeit en daarmee lijkt het verder weg dan ooit. Oudere mensen zoals jij lijken het geheim te kennen dus jouw hoofd zwijgt erover. Zou het geheim louter in ouderdom liggen? Zal mijn hoofd van nature leren zwijgen? Van zelf? Ik heb er mn hoop op gevestigd al kan ik er geen reden of argument voor bedenken.

In de tussentijd vertrouw ik op mn trucjes. Speed is instant stilte maar werkt te goed. Na een tijdje zwijgt niet alleen mn hoofd maar ook mn hart en ziel. Totale afzondering werkt ook goed want de drukte in mijn hoofd neemt af als niemand dan ik mij stoor. Verder kan ik hardlopen tot ik er bij neer val, vrijen tot ik droog sta, heel, heel hard huilen of Schaken.

Als ik schaak dan ben ik koning. Mn koningin kan bijna alles en ze doet wat ik zeg. We hebben ieder onze torenkamer in mijn kasteel met een ridder te paard ervoor. Mijn ridders, mijn paarden. Acht wolven verdedigen het land op de manier die ik hen opdraag…

“Gaan we schaken?” zeg ik en het wordt even stil. Voor jouw “ja” is het spel begonnen. “Ja”, zeg je. Uit verzonken gedachten klim ik vliegensvlug naar mn hoogste torenkamer. Daar is het stil. Ik trek mn roodfluwelen mantel aan en vergeet alles om me heen. Twee nertsen maken kwetterend ruzie en de kroon op mijn hoofd is hun boksring. De ondergaande zon schaduwt het gevecht op mensgrote tegen de muur. Zonder enige werkelijkheidswaanzin ga ik achter het bord zitten en wacht.

Jij bent aan zet. Terwijl ik je aan blijf kijken neem ik een slokje water. Een glimslokje. In je ogen zie ik dat je alles op het spel zet of zie ik mezelf in je ogen? Ieder heeft vanaf nu twintig minuten om met daden zichzelf de meerdere te tonen. Diegene die wordt vermorzeld of als eerste geen tijd over heeft, knielt met neergeslagen ogen. Zonder een woord te zeggen. In de wereld van schaak is alles eenvoudig en helder. Niemand betwist de regels. Al eeuwenlang niet meer.

Als ik opkijk zie ik je gezicht. Je zit bewegingloos tegenover me met je ogen dicht. Het lijkt of je slaapt… Stiekem hoop ik dat je aandacht verslapt want ik sta er niet best voor. “Wat ben je toch mooi”, zeg ik hardop. Alsof je erop hebt gewacht, geeft de fijne toon in mijn stem jou de moed voor de volgende zet. Iets te zwierig zet je de toren op mn achterlijn en je staat op. Je geeft me een kus om mn neus en fluistert zachtjes in mn oor: “Schaakmat lieve schat…”.

Vol ongeloof staar ik minutenlang naar het bord. In mn hoofd speel ik het eindspel nog een keer na. Halverwege geef ik het op en zeg: “dank je wel…”, maar jij bent al weg.

Mijn hoofd is leeg. In mijn werkelijkheid verlies ik nooit. Zelfs niet als jij wint. Er zijn spellen bij die me zichtbaar dagen lang in hun grip houden en als een spel me niet bevalt, vergeet ik het al voor het eindigt. Gewonnen en verloren spellen. Ik word er stil van… voor zolang het duurt.

Ssssst!

 

Mar10

 

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Een duivelse engel…

De zon is nog net niet achter de horizon verdwenen en de maan toont zich, al is ze bijna doorzichtig. De nevel die dansend opstijgt roept me naar buiten. Als bij toverslag zwijgen alle vogels als ik de deur achter me sluit. Stilletjes ga ik op in de mist tot straks. Straks dan ben jij er.

Ik voel rustig en toch weer niet. Volgens mij is vooral mn hoofd rustig. Er zijn nauwelijks mensen op straat en de tijd lijkt stil te staan. Nu voel ik me heel even goed voor altijd. Zonder na te denken loop ik richting Noorderplas. De bomen kleuren er alles geler en roder dan normaal. Eigenlijk kleurt alles richting herfst en net als ik besluit mezelf die richting in te kleuren, hoor ik iemand tegen me praten. “Hallo meneer …? “

De vrouw die me net langzaam voorbij fietste is afgestapt en kijkt me met open mond aan. Haar gezicht ziet er grappig uit en ik moet er hardop om lachen. “Kent u me?”, vraag ik in een poging haar verbazing om de tuin te leiden. “Nee …”, zegt ze. “Toen ik net passeerde,  zag ik …”, en ze stopt om me van top tot teen te bekijken. “Ik zag een engel in je”, vervolgt ze en bij het woord engel kijkt ze even omhoog. Ze eindigt met: ”… gek hè?”  De vrouw loopt naar me toe, raakt mn hand aan, draait om, stapt op en fietst weg. “Dank u wel!”, roep ik haar na.  Ze kijkt om en zwaait …

Fluitend loop ik min of meer hoteldebotel van nietszeggend geluk verder of zweef ik? De treurwilg waar ik onderdoor ga, slokt me op en sluit me bijna van elke werkelijkheid af. Ik kan een huppeltje niet onderdrukken. Waarom zou ik ook?

Als ik over het veldje terug naar huis loop zie ik jou op een muurtje zitten. In de schemering lees je de laatste letters in een boek. Naast je staat een fles met sap. Jij ziet me nog niet en ik ga iets langzamer lopen. De laatste meters versnel ik weer en ik kom kussend naast je zitten… Een beetje overrompeld zeg je: “Je glimt helemaal! Mag ik mee glimmen?” Ik vertel je in geuren en kleuren over de leuke vrouw van daarnet. Aan het einde van het verhaal vraag ik: “Zie jij een engel in mij?”

Met je ogen dicht begin je te neuriën. Het lijkt alsof je een paar filmpjes terug draait in je hoofd. Zonder de engel in mij te ontkennen  of bevestigen zeg je: “Het leven is nooit saai met jou …” en je opent je ogen weer. Mn vraag blijft een vraag zonder antwoord.

Over je gedachten praat je verder. Je woorden ergeren me ineens. Na een paar zinnen merk je mn ergernis op en je zwijgt. Ik probeer mezelf te verontschuldigen met: “ … je geeft geen antwoord …”.  Zachtjes mompel je: “Dag engeltje van me …”

Het gif van geestdrift werkt in op ons twee en we staan op. Gebarend en met verheven stemmen lopen we naar huis en als we bij mn deur  zijn, komen er drie Marokkaanse jongetjes giebelend de hoek om. Ze schrikken van mijn vurige vertoning en van jouw reactie daarop. Als geslagen stoppen ze alle drie tegelijkertijd met bewegen en praten.

De jongste twijfelt geen seconde en loopt direct terug de hoek om.  De andere twee blijven staan. “Waarom loopt ie weg?” , vraag ik in een rustigere toon. “Weet ik niet meneer zegt de oudste … ik ga het hem vragen!” Als ie terugkomt zegt ie: “ … klinkt misschien raar voor u meneer maar hij zag de duivel in u …” Als ik naar het bange jongetje toe wil lopen voor uitleg, rent hij hard weg en roept: Nee! … ga weg!” De grotere jongens rennen lachend achter m aan.

Een beetje beduusd loop ik voor je uit de trap op naar twee hoog. ”Met mij is het leven nooit saai …”, mompel ik als je me voor de deur een kus geeft en … “ Zie jij een duivel in mij?”

 

 Mar10

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , | 1 reactie

Dak~rijk…

“De stoptrein in de richting Utrecht centraal vertrekt over enkele minuten”, klinkt uit de luidspreker op het station. We zijn onderweg naar huis. Fenna haalt oordopjes uit haar oren en zegt uit het niets: ”Pap, in hoeveel huisjes hebben we eigenlijk gewoond? Ze kijkt me ondeugend aan. “Ik kan tenminste zeggen dat ik in Amsterdam heb gewoond… toch? “ “Nou en of!”, zeg ik en de mevrouw naast ons op het bankje begint te glimlachen.

Terwijl de trein piepend en sissend tot stilstand komt zeg ik: “Nienke zei laatst dat ze er meer dan twintig heeft geteld. Zullen we samen tellen? We zoeken een plekje en de mevrouw die naast ons op het bankje zat komt tegenover ons zitten. De coupé is verder leeg. Zonder één woord en met haar ogen dicht, zit ze onzichtbaar in ons verhaal

Min of meer chronologisch loopt Fenna met me mee door alle huisjes. In Wijchen, Breda, Schijndel, Den Dungen, Amsterdam, Waspik, Gouda… Steeds dieper verdwalen we in gedachten… of… raken we erin thuis? Fenna heeft mijn dagdroomcapaciteiten niet alleen overgenomen. Ze heeft zich erin bekwaamd op haar eigen manier. Bij elk huisje heeft ze verhalen en vriendinnetjes maar ook ruzies. Boos, blij, bedroefd en bang vliegen van links naar rechts want haar woorden komen uit heel haar lijf. Een kleine slaapkamer past tussen duim en wijsvinger en een grote is van hier tot hier in de hele coupé.

Tussen station Den Dolder en Utrecht Overvecht raakt ze zo opgewonden dat de mevrouw tegenover ons, zichtbaar geëmotioneerd raakt. Het blijft me verwonderen dat ze er met zoveel opwinding en plezier op terug kijkt en het verwonderd de mevrouw ook.

Op het moment dat de mevrouw haar ogen open doet, zegt Fenna tegen haar: “Gaat u ook naar Den Bosch?” De mevrouw glimlacht en zegt: “Als ik niet oppas wel!” Fenna’s hoofd tolt nog van alle huizen. “Hoezo?”, zegt ze terwijl ze nu bijna hoorbaar nadenkt over het vreemde antwoord. “Ik ben al te ver gegaan…”, zegt de mevrouw en nu lacht ze hardop. Fenna lacht mee en haar gezicht verraad dat ze het denken heeft opgegeven. Zonder horten of stoten heeft ze zich van mij losgescheurd en hangt ze aan de lippen van de mevrouw. Ze zegt: “Ik woon in Amersfoort. Dat is drie haltes terug. Ik wilde wel uitstappen maar het lukte niet. Je verhaal  was nog niet af!”

De mevrouw staat op en zegt: “Ik hoop dat ik je nog eens tegenkom en dat je dan verder wil vertellen…” Fenna loopt met de mevrouw mee tot de deur. Ze drukt op het knopje en maakt de deur voor haar open. “Tot de volgende keer”, zegt ze en “o ja ik ben ook stief-tante!”

De mevrouw blijft staan tot de trein weg rijdt. Fenna zwaait en de mevrouw zwaait terug. “Wat een leuke mevrouw hè pap…”, zegt ze als ze weer naast me komt zitten. “Waar waren we? Amsterdam, Gouda, Woerden, Oss, Gameren, Bruchem, Hilvarenbeek, Wekerom…”

“Weet je welk huisje ik het allermooist vond pap?”, vraagt ze. Ik kijk haar verliefd aan en schud van nee. Haar ogen sprankelen. “Dat grote huis met die mooie tuin in het midden. Met die gekleurde ramen die in het donker net op een sprookje lijken. Met jou ging het toen niet zo goed pap maar dat huis was wauwie. Waar was dat ook al weer?” “In sint Oedenrode wijffie… en ja… dat is één van de mooiste paleizen van papa. Vroeger was het een klooster…”

Na de overstap in Utrecht kruipt Fenna tegen me aan en valt voldaan in slaap. Wat is het toch een kanjer. Elk dak boven haar hoofd is dr lief en ze voelt zich overal thuis. Tevreden sluit ik mn ogen.

Vraag me niet wat maar… iets heb ik goed gedaan.

 

 

 

Mar10

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

Alles stroomt…

Het is ruim voorbij middernacht en ik ben gaan lopen. Binnen blijven is nu gevaarlijk voor me. ‘Buiten’ is veel groter dan binnen en mn gekte stuitert er niet terug van de muren. Normaal gesproken loop ik richting stad maar nu ga ik de andere kant op. Alleen de sterren zien me en die blijven stralen, hoe ik me ook gedraag.

Huilend loop ik de Maas in. Zoet als haar water maant ze mijn zoute tranen tot kalmte en na een half uurtje ga ik even naast haar zitten. We begrijpen elkaar. Als het aan de bron dondert, zwellen we op en worden we wilder. We laten ons bij gebrek aan interesse ogenschijnlijk indammen maar als het te gortig wordt, zijn we onverbiddelijk. Dan treden we buiten elke vooraf bedachte oever.

Ik kijk naar mn spiegelbeeld in het water en sluit mn ogen snel. De Maas is nu kalm en liegt niet. Ze toont me een verwarde en verwilderde man die zijn eigen dijken heeft doorgestoken. Alweer. Ik doe het mn hele leven al. Een paar keer per jaar ga ik volledig door het lint. Dan gaat er iets mis of juist heel goed en maak ik alles kapot.

Nu alles kapot is, ben ik weer heel even alleen. Dat wat er nog is sluit ik buiten. Waarom doe ik dat toch steeds? Het dramatische in mn vraag is bijna lachwekkend. Bijna. “Wil ik het wel weten?”, zeg ik hard op. De verhalen en verklaringen van specialisten of andere medicijnmannen  vervelen me. In plaats van Speed geven ze me medicijnen die veel minder goed werken. Psychoanalisten zijn fijne mensen maar als ze me niet willen kussen faalt elke therapie.

Mn linkerhand heb ik tegen de muur kapot geslagen. Hoe dom kan één mens zijn? Die gedachte tovert een kleine glimlach op mn gezicht en mn hartslag komt langzaam tot rust. De snik in mn adem vloeit door mn voeten de Maas in. Ze accepteert het gelaten.

Het is trouwens erg mooi hier. Niet alleen de door mensen geaccepteerde natuur maar ook de door de natuur al eeuwenlang geaccepteerde menselijke invloeden vormen één geheel. Ik sta er middenin. Soms kan ik hier geluiden horen uit het verleden maar nu niet. Nu is het stil.

Zoals de rivier de omliggende gronden eens in de zoveel tijd terug claimt en de boer berooid achter laat, zo claim ik de stilte om me heen eens in de zoveel tijd terug. De nijd en het geweld waarmee de rivier eist, boezemt angst in en ik herken het in het piepklein. Niemand houdt haar tegen. Niemand. Ze vraagt niet om uitleg en geeft geen argumenten voor haar daad.

De Maas stoomt zoals ze stroomt en lacht elke goedbedoelde dijk uit. Projecten zoals ‘Ruimte voor de rivier’ vindt ze schattig maar zelfs daarin laat ze zich niet vangen. Vervuilingen noemt ze tijdelijk en omleidingen of kanalisatie een illusie. Soms voel ik me de Maas in het klein.

Natuurlijk, er zijn verlokkingen en verleidingen en verdwalen is mn passie. Toch volg ik de beddingen waarbinnen ik geleerd heb te stromen. De bron waaruit ik voort vloei kan ik niet ontkennen. Naar mate ik ouder word, is mijn bedding verbreed en de stoom her en der verdiept.

Overstromen is voor mij natuurlijk en ik leer er mee te leven want… zelf nu… nu alles weer helemaal kapot en weggevaagd is en ik weer helemaal opnieuw moet beginnen… weet ik… Alles stroomt. Altijd.

Uitgeput en opgebrand in woede ga ik liggen. Ik kruip even heel dicht tegen de Maas aan. Langzaam drijf ik op haar geluid verder de nacht in. Misschien neemt ze me wel mee… Misschien…

 

Mar10

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , , | Een reactie plaatsen

Van nature uit orde

“Soms wil ik weten of het me nog lukt”, zeg ik. “Kijk, hier sta ik dan!”. Alle onrust heb ik uitgerust. Sinds een week of twee doe ik weer gewoon ‘dingen’ en anders doen ze mij wel gewoon. Het lijkt wel of we ‘als vanzelf’ ons gangetje gaan, de dingen en ik. Alles is in orde.

De zon schijnt en het is warm op het juiste moment. De meeste mensen zijn op vakantie. Stilte tiert welig en Ik heb net mn huisje opgeruimd. Als mijn hoofd helder is dan weet ik weer wie ik ben en als mn huis is opgeruimd dan weet ik waar ik ben.

Ik voel me met de dag fitter worden. Ik ga op de bank zitten en pak mn gitaar. Terwijl er wielrenners op wielen over mn tv rennen speel ik een liedje dat ik nog niet ken. Ik los er de kleine ergernissen in op. Gewoon, omdat ik het kan. Gister schreef ik twee Haiku gedichtjes voor Hans. Na het eerste besloten we samen een boek te gaan schrijven. Morgen beginnen we.

Er staat voor vandaag eten in mn koelkast en ik heb een nieuw pakje shag gehaald. Voor Nani heb ik een appel gekocht. Met het geld dat ik over heb kan ik geen streken uithalen. Blowen doe ik al een tijdje niet meer. Mijn dagelijkse Concerta- is nu op z’n best. Nu ben ik in orde.

Nani is de draad allang kwijt. “Wat sta je nou raar naar me te kijken?”, zeg ik. Voor mij is het belangrijk om contact te houden met de werkelijkheid. Als me dat niet meer lukt dan kan ik alleen nog maar de straat op. Werkelijk in orde zijn is voor jou niet zo speciaal maar voor mij is het een prestatie van jewelste. NU is alles in orde. Toe, kijk me even aan want ik kan er niet te lang in blijven zonder mezelf te verliezen.

Voor mij speelt orde niet zo’n grote rol. Van nature ben ik zelfs uit orde. Uit orde is chaos de meest natuurlijke vorm van in orde. Ik voel me beter in orde in chaos. Sinds ik orde en chaos min of meer chemisch beheers ben ik er op uitgekeken. Met twee gram speed ben ik een week zo griezelig in orde dat jij er bang van wordt. Dan verlies ik mij geen seconde meer uit het oog. Zelfs als ik naar je knipoog blijf ik vlijmscherp en zal ik in een moment van algehele bewusteloosheid rustig weg wandelen zonder dat je me mist. In orde zijn is ‘overrated’.

Uit orde ben ik onnavolgbaar voor iedereen. Problemen krijgen geen vat op me als ik uit orde ben want ik achterhaal ze voor ze dat mij doen. Eenmaal achterhaald, blijf ik erachter. Als ik zelf het probleem ben dan draai ik me ongegeneerd een loer. Wanneer ik dat doe weet ik zelf vaak niet eens van te voren. Uit orde leef ik strikt op een ‘Don’t need to know’ basis. Ik weet niet waarom maar ik ben hier de baas. Wat ik vandaag met hand en tand verdedig is morgen gelogen. Niet misschien maar sowieso en zonder twijfel. Erin en eruit . Alles, waaronder ik, is orde.

Nani is al naar bed gegaan. Ze ligt glimlachend te snurken. Nu ik in orde ben is het fijn om me heen en ze kan er als geen ander van genieten. In orde is Nani’s ding en elke vorm van orde voldoet.

Ik denk dat ik maar even naast dr ga liggen. Als ze slaapt ben ik zo lief.

 

Welterusten.

 

Mar10

Geplaatst in Geen categorie | 1 reactie

En dan…?

Soms komt alles bij elkaar en dat geldt niet alleen voor fijne dingen. Na een paar mooie warme dagen regent het nu en het is koud. Mijn schoonvader Ben is gister overleden. Hoe zwaar zal dat zijn voor mn kinderen? Redt mn vrouw het?

Mn relatie met Nani zit vast en ik sta pat in een schaakwedstrijd tegen mezelf na drie zetten. Ik ben niet overstuur of doorgedraaid. Ik schreeuw niet om hulp of aandacht. Nee, dit is iets nieuws voor me. Wiet brengt geen verlichting merk ik. Zelfs speed heeft me na enkele dagen een niet mis te verstane waarschuwing gegeven. Alles wat me kracht biedt, richt zich nu tegen me.

Wat nu…? M’n huis is een puinhoop en het stinkt. Ik heb mn vuilnisbak al drie dagen niet geleegd en dat kan niet bij deze temperaturen. Ik ruik mezelf terwijl ik aan het schrijven ben. Nani ruikt me ook en ze glimlacht. Ik huil. Zoete tranen, tranen zonder reden, richting of doel. Voor mij zou het fijn zijn als ik een boodschap kon ontdekken of een andere ingeving kreeg. Daar kan ik mee verder maar dit keer is er geen. Ik voel het. Hier moet ik doorheen zonder reden. Zonder inzicht. Gewoon, omdat het nou eenmaal moet.

Het klinkt behoorlijk donker maar ik zit niet in de put. In de put zitten ken en kan ik. Ik zit daar wel vaker en voel me er geborgen. Veilig zelfs. Nu ben ik helder. Ik kan naar alle kanten kijken zonder zelfopgelegde blokkades. Van een min of meer chemisch geïnitieerde psychose is volgens mij  ook al geen sprake. Ik ben niet speciaal moe of energiek en er gebeuren geen rare dingen. Nani zit dichtbij me en schudt bevestigend haar hoofd. Ze is onverstoorbaar als altijd. Zorgen in dr hoofd en hoop in dr hart.

Het vervelende is dat ik me nu niet wanhopig voel. Ik ben niet bang en maak me geen zorgen. Het lijkt wel of alles samenwerkt en ik alleen mag kijken… maar waarnaar…? Waarvoor…? Mijn onweerstaanbare lust naar antwoorden en inkijkjes lijkt in één nacht weggevaagd al sputtert het wat na nu ik schrijf.

Waarom blijf ik zo kalm? Sinds mijn geboorte ben ik een vechter al vecht ik nooit echt. Waarom vecht ik niet? Het lijkt alsof ik in de stand-by stand ben gezet. Ik ben erbij maar doe niet mee. Het is zondagmorgen en het is elf over elf. Velvet underground speelt en Nico zingt voor me. “Zondagmorgen… niets verborgen… wat er gaat komen gaat voorbij… zondagmorgen weg met zorgen… wat geweest is zit naast mij… De belletjes maken het af.

De gebruikelijke zoektocht in mijn duistere en minder duistere archieven levert niets op. Deze staat is nieuw. Is nieuw goed? Hoe lang gaat dit duren? Zoals ik me nu voel, luidt het iets in. Een nieuw fase? Terwijl ik het opschrijf voel ik twijfel een weg zoeken door mn systeem maar het is zwak. Ik heb alle reden om aan mezelf te twijfelen maar waarom zou ik dat nu doen?

Ellende maakt me opstandig. Rust geeft me ruimte. Spannende dingen geven me een rush en enge dingen maken me alert en voorzichtig. Drugs kalmeren me en brengen me in een veranderd bewustzijn. Eten brengt honger en drinken brengt dorst.

Niets van dat alles. Niets. Ik heb geen behoefte aan raad of overleg. Je hoeft me niet met rust te laten. Het gaat niet goed met me of slecht. Ik hoor de vogels door het liedje van Nico heen en ik heb eten in mn koelkast. Morgen is het maandag…

En dan…?

 

Mart10.nl

Geplaatst in Geen categorie | 2 Reacties

Jij bent er altijd!

Midden in de stad word ik wakker. Twee hoog. Ik heb vannacht op mn balkon geslapen en zit nu recht op in mn buitenbed. Helemaal achter in de lucht zie ik een rode gloed ruimte maken voor de zon.

Op mensen na wordt alles nu wakker. Niet alleen de zon maar ook de wind, de wolken, de vogels en de bloemen. Zelfs insecten weten onaantastbaar instinctief; de dag is begonnen. Elke dag weer.

Half dromend rek ik me uit en ik ga nog even liggen. Zelfs met mn ogen dicht wordt alles lichter en lichter. De buurman van schuin onder is, net als altijd, de eerste die in zn auto stapt en weg rijdt. Als hij zn deur dichtklapt loop ik naar binnen. Tegelijkertijd vliegt er een Merel luid kwetterend weg. Beledigd tot op het bot…

Binnen maak ik koffie en tokkel wat op mn gitaar. Door mn open raam hoor ik de één na de ander in een auto stappen en weg rijden. Er staan er nu nog drie op de parkeerplaats. Voor mn deur stopt de vijfde bus van deze dag en de zon heeft ze allemaal gezien.

Ik heb in de tussentijd mn huisje opgeruimd en mn wasmachine aangezet. Als mn meiden zijn geweest krijg ik tenminste een wasmachine vol. Na een soort ritueel dansje ga ik achter mn pc zitten om een verhaal te schrijven en… pats… voor er één letter op papier staat, slaat de twijfel toe…

Wie leest mijn verhalen? Waarom schrijf ik ze nog? Al dat gezeur over alleen zijn zonder geld is onderhand wel duidelijk. Een klaploper in een in eenzaamheid geboren droomwereldje. Een piepklein droomwereldje.

“Eikel!” zeg ik hardop tegen mezelf terwijl ik door mezelf word uitgelachen. Ik sluit mn ogen en het is donker. “Eikel!” galmt nog. Dit is de vijfde dag op rij die zo begint. Ik blijf me herhalen! Ik blijf me herhalen? Ik blijf me herhalen!

Drie zachte klopjes op de deur onderbreken mijn twijfel. Nonchalant en een tikkeltje dramatisch veeg ik de flarden twijfel van mn schouders terwijl ik naar de deur loop. Als ik m open maak zie ik mijn buurvrouw staan en ze vraagt me of ik vandaag een pakje van haar wil aan nemen. Ze zegt: “jij bent er altijd!”

“Ik ben er altijd!” herhaal ik. “Altijd!” Hoe vaker ik het zeg, hoe vrolijker ik word. Pas als de Merel zn avondlied zingt kom ik weer bij mijn negatieven. Op dat moment komt mijn buurman van schuin onder thuis. Hij komt altijd als eerste thuis. Als hij zijn muziek aanzet en gaat koken ga ik in de maat van zijn muziek mee. Na het eten breng ik het pakje naar mijn buurvrouw en de laatste bus rijdt voorbij.

Half dromend rek ik me uit en ik ga liggen. Zelfs met mn ogen open wordt het donkerder en donkerder. Helemaal achter in de lucht zie ik de laatste gloed van de zon die kopje onder gaat.

Ontsnapt aan de twijfel en gevangen in alles eromheen, heb ik nog steeds geen verhaal geschreven. Mijn verhalen laten zich niet schrijven. Ze schrijven zichzelf en als ze zo ver zijn, ben ik het ook. Ik ben er altijd! Elke dag weer.

 

Welterusten!

 

Mar10

Geplaatst in Geen categorie | 3 Reacties

In Fenna’s straatje

Op straat leven doe ik soms thuis. Gewoon hier in mn flatje hoog boven de grond. Af en toe rijdt er een auto of een bus voorbij. Vogels rusten op het hekje van m’n balkon. Niets valt me lastig want dat sta ik niet toe.

Ik kan blaadjes vol schrijven over elke stoel in mijn straat en ik ken de spinnen bij naam. Het regent hier bijna nooit en de wind beheers ik zelf. Als ik me laat vallen dan kan ik blijven liggen en slapen tot er geen slaap meer is. Niemand kan me raken tenzij ik geraakt wil worden. Hier vind ik rust.

Langzaam merk ik dat ik zelf kan bepalen hoe ik door mijn straatje loop en in rust is er meer ruimte. Waar ik ben en hoe laat het daar is speelt geen rol. Wat ik heb of hoeveel maakt niets uit. Ik blijf net zo lang mieren en draaien tot ik rust heb gevonden in mijn straatje.

Als ik meer ruimte heb, loopt mijn straatje vanaf de Maas via de Noorderplas tot het winkelcentrum en dan door het Bollenveld weer terug. In het midden is er één centraal verwarmd en overdekt flatje voor mij alleen…

“Hahahaha, mooi niet!“, gilt Fenna in m’n oor. Ze staat met me mee te lezen. “Ik ben nu twaalf pap. Ik mag zelf kiezen waar ik ga wonen!”. Ze geeft me een snelle kus en loopt weg. “Dit is dan mijn kamer en hier hang ik m’n jas!”, roept ze pesterig onderweg naar buiten. “En anders ga ik op straat wonen”, roept ze dreigend.

Fenna draait en miert al net zo goed als ik. Alles past nog in haar straatje. Op school, thuis en tussen alle vriendjes en vriendinnetjes zoekt ze haar weg. Als ze een misstap maakt wordt ze glimlachend gecorrigeerd. Meestal staat ze dat gelaten toe maar ze vergeet niet waar ze is geweest en hoe ze er terecht kwam.

Als de storm weer voorbij de stilte is, stopt ze de ervaring in haar zak. Gulzig neemt Fen alleen genoegen met alles wat in d’r straatje past. En pas als het overal  zoemt zoals in haar hoofd dan is ze tevreden. Dan spint ze.

Er ligt ook al wat rotzooi in haar straatje. Her en der zie ik hoopjes liggen en ongehuilde tranen vormen een ogenschijnlijk natuurlijk beekje. Het straatje vegen komt niet in haar op. “Dat heb ik nog nodig!”, zegt ze… “Niet aankomen anders kan ik het nooit meer terug vinden”. Tussen een paar struiken staat een schuurtje met een slot erop. Af en toe verdwijnt ze er in of eruit.

Ik sta op en loop naar m’n balkon. Onder een boom zit Fen op de grond. Ze is druk in gesprek met een hondje die z’n baasje uitlaat. Ik kan even onzichtbaar op haar straatje neer kijken. Ze pakt een takje en maakt een tekening in de grond. Op d’r mooist zingt ze een liedje van Anouk

Als elke echo onhoorbaar ver is, roep ik haar. “Fen, het eten is klaar. Kom je zo naar huis?” Ze kijkt zichtbaar verstrooid  waar mijn stem vandaan komt en vindt me op het balkon. Haar hele lijf lacht. Ze roept: “zullen we hier eten pap? In mijn huis?

Soms maakt ze van de straat gewoon haar huis. Af en toe rijdt er een auto of een bus voorbij. Vogels rusten op haar schouder. Niets valt haar lastig want dat sta ik niet toe. Ze roept:

 

“De deur is open!”

 

 

Mar10

Geplaatst in Geen categorie | Getagged , , | Een reactie plaatsen

Van de straat houden

Zorgvuldig pak ik m’n knapzak in want ik kan alleen het hoognodige meenemen. Een flesje water, een dekentje, m’n laatste vijf euro, twee aspirines, een pen en een pakje shag met vuur. De dagen worden minder koud en de nachten worden warmer. Alles begint te kriebelen.

Het haar op mn kin en onder mn neus scheer ik al een week of twee niet meer af. Ik trek een oude legerbroek aan met daarop een trui en een T-shirt eronder. Helemaal onderop m’n kapstok hangt een groen hoedje. Als ik die opzet kijk ik in de spiegel. Ik ben er klaar voor.

De verwarming staat op tien graden en alle stekkers zijn uit op het stopcontact. Alle stekkers behalve één. “Nog één kopjen kofjen”, zeg ik tegen mezelf, “en dan ga ik”. De straat op. Elk voorjaar moet ik achter een onweerstaanbare drang aan om vrij te zijn. Het aantal straatdagen om dat gevoel te bereiken neemt af.

Het is drie uur in de nacht als ik naar buiten loop. ’s Nachts zijn de straten van mij. Ik sluit alle deuren en stop mijn sleutels in een glazen potje. Het potje begraaf ik onder de struiken die voor mn deur staan. Ik ben er klaar voor en niets of niemand houdt me tegen. Althans…

Mijn buurman zwalkt me zingend tegemoet. Hij ziet me niet eens staan. Als hij voor de deur naar sleutels zoekt, valt zijn gsm op de grond. Het verrast me steeds weer als ik zie uit hoeveel delen zo’n klein apparaat is opgebouwd. De sleutel lijkt niet te passen en hij gaat verslagen op de grond zitten.

Op de grond verliest hij zijn allerlaatste bewustzijn. Ik moet glimlachen van dit tafereeltje want het is alsof ik mezelf zie zitten. “Hee, buurman!”, roep ik, maar hij reageert niet. Voorzichtig raap ik de verschillende delen van z’n gsm en z’n sleutelbos op. Ik maak z’n deur open en sleep hem naar binnen.

Eenmaal binnen begint hij over te geven tot er helemaal niets meer in zijn lijf is dat er via z’n mond uit kan. De overgebleven vloeistoffen laat hij rechtstreeks zijn broek inlopen.

Uit m’n knapzak haal ik het flesje water tevoorschijn. Ik geef hem een paar slokjes en leg mijn dekentje over m heen. De ondergekotste deurmat leg ik buiten neer en de enige schone enveloppe op de mat neem ik mee terug naar binnen. Tis een blauwe…

M’n buurman is een beer van een vent maar nu even niet. Hij is niet veel jonger dan ik. Toch roept ie vadergevoelens in me op. Ik ga even aan z’n tafel zitten en maak mooie hoopjes van de spulletjes die hij onderweg verloor. Z’n kluts, stukjes gsm, een sleutelbos, een schoen en een briefje met een telefoonnummer.

Op de blauwe enveloppe schrijf ik: “Ik hoop dat je snel weer opknapt. Je lag tussen je spulletjes voor de deur en ik heb je naar binnen geholpen. Ik wens je een zo fijn mogelijke dag. Groetjes, Swieber.” Op het briefje leg ik twee aspirines. Zijn onrustige gedraai verandert in een luid gesnurk.

Het is tijd om te vertrekken. Ik wil hier niet zijn als ie wakker wordt. Uit de keuken pak ik een emmer. Samen met m’n flesje water zet die binnen handbereik. Ik bekijk het tafereeltje nog eens en als hij zich omdraait verdwijn ik stilletjes. De nacht is het grootste deel van z’n kracht al kwijt en de ochtend dringt aan. Het is half zes.

Mijn knapzakje is bijna leeg zonder één stap op straat te zetten. Terwijl ik m’n sleutels weer opgraaf valt m’n hoedje op de grond. “Ik voel me vrij!”, zeg ik hard op. “Vrij genoeg om te gaan slapen in mn eigen bed! Morgen is er weer een nacht.”

Welterusten.

Mar10

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Niks aan

Soms kom ik je tegen op straat en zie je twijfelen… Zal ik…? Gewoon… zo maar een maandje tussendoor waarin niemand op je rekent. Geen werk in de ochtend of vrij in het weekend. Als je geen brieven open hoeft te maken en nergens voor af hoeft te rekenen. Stel je voor dat er geen stroom meer is om af te sluiten en water in rivieren stroomt in plaats van in waterleidingen.

Als de kou buiten normaal is en de warmte binnen bijzonder. Wanneer eten alleen kan als er iets te eten is en niets te maken heeft met ontbijt, lunch of een warme hap. Als speed de enige medicijn is tegen verkoudheid en slapen geen verplichting. Wat zou jij dan doen?

Niemand die zich zorgen over je maakt en niemand die met je praat. Als virtuele vrienden niet echt blijken. Als je een maand kunt leven van vijfentwintig bij elkaar geschnabbelde euro’s, weg gegooid eten en uitgedrukte sigarettenpeukjes. Hoe zou jij je dagen dan vullen?

Waar ben je? Wie jou ruikt of ziet loopt met een boog om je heen en weet wat je bent zonder te weten wie je bent. Als je opgepakt wordt in de trein zonder kaartje en even mee moet naar het bureau. Als je na veel woorden weer vrij wordt gelaten. Als de mensen om je heen niet meer begrijpen wat vrijheid is, begrijp jij het dan?

Als een ontmoeting weer lijkt op ont-moeten en liefde niets meer zegt over het aantal geneukte uren zou jij dan in liefde kunnen leven? Als niemand je iets geeft en niets meer van je aanneemt zou jij het dan tegen elkaar kunnen wegstrepen?

Als je alleen wakker wordt en je gestolen fiets is gejat zou je dan kunnen glimlachen? Als de dagen en nachten niet meer overeenkomen met waken en slapen en je langzaam los raakt van alle gekte word jij dan normaal? Hoeveel belang zou je hechten aan stoplichten of flitspalen?

Als heroïnehoeren je nawijzen en uitlachen terwijl je een kind tegen dr moeder hoort zeggen:”kijk mam wat zielig!”. Als er twee flessen wijn worden verkocht voor de prijs van één en één gram speed voor de prijs van tien. Als je de eerste bloemen uit de grond ziet komen net voor het broodnodige water ervoor je helmaal tot je onderbroek doorweekt, kun jij het dan droog houden?

Een maand. Geen regels en geen geld. Geen vrienden, geen hoop. Geen tijd of bed. Niets om je aan vast te houden en niemand die zich aan je vasthoudt. Dertig dagen zonder bestemming of vooruitgang. Geen beloning of straf. Geen airmiles, bonuspunten of bolimia. Geen verslaving, verveling, macht of onmacht. Zou jij overleven of leven?

Er is niemand om te overleggen, geen klankbord. Het is nu en nooit. Er is geen enkele vorm van stimulans of feedback. Gister zegt niets over vandaag en morgen is verder weg dan ooit. Er is geen begin en eind behalve daar waar het begint of eindigt. Uitleg is niet meer dan een prachtig schilderij als er iemand naar kijkt. Je kunt het niet goed doen en ook niet verkeerd.

Mijn maand is vijf jaar geleden begonnen en er komt maar geen einde aan. Het is de gelukkigste maand van mn leven. Deze maand gaat niet meer voorbij, zelfs niet als ik sterf. Als jij er ooit aan begint dan zul je zien dat deze maand alles is wat er toe doet.

Niks.

Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen