Het zonnetje schijnt en het regent….

“Waarom ben je toch steeds zo boos?”,  vraagt ie. Hij kijkt me aan maar ik ontwijk zijn blik. M’n hele lijf trilt. ”Ik ben niet boos. Ik ben woest!” Spuug vliegt in het rond bij het woordje “woest”. Ik weet het niet meer, niet meer waar ik precies ben of hoe ik heet. Alles valt weg.

Adrenaline giert door m’n lijf en ik word groter en sterker. Iedereen zet dan een stapje achteruit en anders doe ik het zelf wel.  “Ik schrik hier een beetje van”, gaat hij verder. “Dit zag ik niet aankomen. Kunnen we even terug gaan naar twee minuten geleden?”

“Ik zei dat je nogal onrustig op me overkwam en dat ik dat niet kon plaatsen. Je vertelde dat je het zwaar had. Nadat ik je even de tijd gaf om dat te verduidelijken viel er een stilte. Toen zei ik…. blabla…. murmel”

Ik hoor m niet meer. Tranen vermengen zich met snot en ik zit op slot. Boos, bang, blij, bedroefd, Adrenaline (C9H13NO3), Amfetamine (C9H13N). Eén pot nat. Het maakt me onbereikbaar.

Amfetamine heeft één voordeel. Ik kan de dosis bepalen. Als dat de juiste dosis is, geeft het macht. Adrenaline blijkt dan machteloos en verliest bestaansrecht. Ik ben in controle en dat is cool!

Zonder Amfetamine ben ik boos. Woest zelfs. In de winkel als ik in een rij moet gaan staan. Als ik moet uitkijken voor ik oversteek…. Als een Eend…. “Mar10! Ik raak je kwijt!” Geschrokken kijk ik op en m’n gedachte vervliegt met de Eend.

Hij is er nog. Ik ben er nog. “Ja”, zeg ik. “Ik raak mij ook kwijt. Dit gebeurt steeds. Heel soms kan ik het afwenden door te gaan slapen, door te gaan huilen. Ik heb duizend truukjes om die energie om te leiden maar daar red ik alleen het moment mee. Is het dat waard? Wat veroorzaak ik als ik die energie omleid? Wat veroorzaak ik als ik dat niet doe? Ik ben in de war en steeds als ik me  ontwar dan begint het opnieuw”.

“Ik ben boos! Woest zelfs, wat ik ook doe”. Hij laat weer een stilte vallen en ik pak m op. “Kijk”, zeg ik. “Stilte…. daar verlang ik naar. Stilte…. zonder uitleg, zonder vragen. Zonder verwachtingen of verplichtingen. Stilte van nature en elke afgeleide daar van. Stilte zonder meer”.

“Prikkels die binnenkomen, brengen me uit balans. De stilte die je voor me laat vallen is fijn totdat ik merk dat je wacht. Totdat ik voel dat je hoopt. Totdat ik merk dat je me aanmoedigt om die stilte op te vullen met mijn onzin. Alsof mijn onzin belangrijker is dan de jouwe”.

Hij blijft me aankijken. Wat is het toch een fijne man. Keer op keer helpt ie me een stapje verder en ik ben m zo dankbaar dat ik m wil kussen. Ik wil m kussen!  In plaats daarvan krijgt ie mijn zweetgeur, m’n spuug en een orkaan van willekeurig achter elkaar aanzwellende en kwetsende woorden.

Hij ziet dat de trekken in m’n gezicht verzachten en zegt….”Mart…. het is alsof er een orkaan voorbij komt. Stap ik bij jou in het oog van de orkaan dan kan ik je bereiken. Het voelt bijna als geborgen. Alles raast om je heen en toch is het stil. Als ik beweeg slok je me op, spuug je me uit en kijk je niet meer om. Dat wil ik voorkomen. Zie ik je weer volgende week? Weer op dinsdag om half elf?”

En weer flikt ie het. Ik veeg het snot van m’n gezicht en wrijf in m’n dikke rode huil-ogen. In de weerspiegeling van het raam zie ik mijn glimlach tevoorschijn komen…. Terwijl ik opsta zeg ik:  “mijn moeder zei het vroeger al…. (Mar)Tieneke lacht, Tieneke huilt. Het zonnetje schijnt en het regent, ’t is kermis in de hel!”. Een mooi plaatje.

Dat is het.

Mar10

Posted in Columns | Leave a comment

Als ik mezelf dingen wijs maak….

Op de terugweg loop ik door het park naar huis. De zon brandt al aardig. “Volgens mij is het pas half elf…. dat belooft wat”, mompel ik tegen mezelf. Ik heb geen geld meer voor de bus en ik probeer mezelf wijs te maken dat ik ook zou lopen als ik het wel had. Als ik mezelf dingen wijs maak dan kan er van alles gebeuren. Zoals gister….

Gister hing ik thuis op de bank. Het was nog heter dan nu. Ik had m’n T-shirt uitgetrokken en alle deuren en ramen open gezet. Toen maakte ik mezelf wijs dat ik een echte prof was. In training voor de WK deze herfst…. Ik had zelfs een heus sponsorcontract….

Terwijl ik moet grinniken over m’n hersenspinsels neem ik een overdreven aanloop. Juichend schop ik de eerste de beste steen weg. Zo het water in. Een domme gans springt van schrik op en gakt een paar keer op d’r hardst. Duidelijk beledigd draait ze om, stapt het water in en zwemt weg. Er liggen een paar veren op de plek waar ze net zat. Als ik dichterbij kom zie ik dat het grote zijn. Spierwitte. Ik stop de twee mooiste in mijn tas, draai een shagje en loop verder.

Ineens hoor ik iemand zeggen: “Mooi zijn ze hè, ik zit er al een tijdje naar te kijken!” Op minder dan drie meter van me af zit een oude vrouw op de grond. Naast een bankje. Met één elleboog op het bankje en een blikje bier ernaast kijk ze me glimlachend aan. Ze gaat verder: “Ineens sta jij daar. Waarom neem je die veren mee?”

Even twijfel ik…. Ik lijk wel gevangen door de onbevangen manier waarop ze me bekijkt. Na een paar seconden zeg ik: “Weet ik eigenlijk niet. Ik vind ze mooi. Misschien zet ik ze in het potje op tafel. Daar staan er meer in.…”.

Ze kijkt naar m’n shag. “Wil je er eentje voor mij draaien? Nee, twee!” Ik ga even op het puntje van de bank zitten en draai een paar shagjes voor d’r. De eerste heeft ze al aangestoken en ze zegt: “Mooie trap daarnet…. volgens mij vloog ie wel twintig meter voor ie bijna op de kop van die gans kwam…. je doet dat vast vaker!” Ik draai grinnikend verder en zeg: “Nou…. ik maak mezelf wijs dat ik in topvorm ben. Dit jaar ga ik zelfs naar de afsluitende finale op de WK. Je zou kunnen zeggen dat ik een prof ben…. Een prof met een sponsorcontract en al”. Op mijn tas staat het logo van UWV en ik wijs ernaar. Demonstratief neem ik een hijs van m’n joint en zij steekt een tweede shagje aan.

Ze stopt mijn aansteker in d’r zak en vraagt: “Is er een WK steentjes schoppen? Het moet niet gekker worden!” Ze neemt een flinke slok bier. “Nou…. eigenlijk wel”, zeg ik. “Veel gekker zelfs. Ik ga niet naar de WK steentjes schoppen…. Ik ga naar de WK Nietsnutten. Tegen steentjes aan schoppen om de tijd te doden is één van de verplichte figuren en zoals je zag…. iK ben in topvorm! Of ik de allerbeste ben weet ik niet maar als ik mezelf dingen wijs maak dan kan er van alles gebeuren”. Ze zwijgt en kijkt me aan….

Na een tijdje zegt ze: “Ja! Het zou je nog lukken ook. Je bent een echte…. een eigenwijze nietsnut! Wanneer is de finale?” Ik sta op en stop de shag in m’n tas. Terwijl ik de tas om mijn schouder hang zeg ik: “Mijn wedstrijd is veertig jaar geleden begonnen. In deze herfst is de finale. Op de WK. Ga je naar me kijken op tv?” “Tuurlijk”, zegt ze met fonkeltjes in d’r ogen.

Ze gaat weer op de grond zitten. Ineens zegt ze op serieuze toon: “Trap niet in hun valletje jong. Als een eigenwijze nietsnut de WK wint…. raakt ie alles kwijt.  Blijf eigenwijs of word eigendom!” Wat een prachtmens. Ik stel d’r gerust: “maak je geen zorgen. Ik ben wel gek maar niet dom!”.

Met een kus op d’r hand neem ik afscheid. In de verte hoor ik nog: “kan ik ook mee doen?” Ik roep: “Je doet al mee! Iedereen doet mee!”.

Kut wat is het heet….

Mar10

Posted in Columns | Tagged , | 1 Comment

moeten [moe•ten], ww.

Nu? Nu gaat het geweldig en juist dan voel ik het. Er knaagt iets aan me. Hier van binnen. Ik ken dit gevoel en het maakt me onrustig. Ik heb een huis, maandelijks wat geld om te besteden, een huisarts en een fiets. De hoeveelheden chemicaliën die ik in mijn neus stop of doorslik hebben een historisch dieptepunt bereikt. Ik kan weer mee doen…. of eigenlijk…. mag ik weer mee doen. Nee…. Ik moet. Daar wringt de schoen. Ik moet!

Een buitenmaatschappelijk leven op straat is niet altijd makkelijk maar wel eenvoudig. Het gaat over zaken zoals eten, drinken, warmte en slapen. Meer niet. Bij een gebrek daaraan zijn verdovende middelen prettig vervanging maar veroorzaken veel meer dan alleen een verdoving.

Belastingen, werk, shoppen en voetbal zijn niet meer dan flarden uit een nachtmerrie. Het gaat buiten niet over tijd, parkeergeld en beloftes. Oranje beesies kruipen over je heen als je gaat liggen in een bosje. Die uit een supermarkt leven een luxer levenloos leven. Ze kunnen het leven op straat niet aan en ik wel. Op straat doe ik wat ik wil. Wanneer ik het wil. Als ik het wil.

Nu “moet” ik weer. Ik moet niet van jou, niet van mijn kinderen of vrouw maar van een smerig log meedogenloos monster. IJskoud verzamelt ie AL mijn gegevens in een computer. Hij vindt dat het onderhand goed met me gaat al heeft ie me nooit gezien. Hij weet hoe ik heet, hoe oud ik ben, welke uitkering ik krijg en wanneer. Hij sommeert me soms geld in te leveren en soms krijg ik ineens geld terug. Als ik me verstop rond april krijg ik dreigbrieven. Brrrrrr!

Om me heen lijkt alles een kwestie van vrije keus. Als ik in de trein stap dan mag ik kiezen. Eerste klas of tweede. Altijd plaats, netjes en rustig of druk en smoezelig. In de eerste klasse reizen mensen die het kunnen betalen. Zo werkt het ook in vliegtuigen. Als ik naar de supermarkt ga dan is er een vergelijkbare keuze er. Er zijn A-merken, huismerken en merkloze producten. In de zorg kan ik me traploos keizerlijk of minimaal verzekeren. Er zijn lange en korte spijkerbroeken in alle kleuren en maten. Ik kan kiezen zoveel ik wil…. Behalve….

Behalve geen spijkerbroek. Geen treinreis. Ik kan winkels niet links laten liggen. Nu hier slapen en morgen daar kan niet. Leven in een land zonder snelwegen of gemeentelijke heffingen is uitgesloten. De cijfers van mijn sofinummer mag ik niet willekeurig aanpassen. Ik mag niet kiezen hoé ik over straat loop. Ik MOET meedoen. Ik moet geld verdienen en ik moet me passend gedragen. Ik doe het nog niet en toch begint het al te knagen.

Leven in een democratisch en stinkend rijk land is een voorrecht en ik begrijp best dat ik mijn aandeel daarin heb. Wat ik niet begrijp is dat ik niet de keuze heb om de allerbeste Mar10 te zijn die ik kan zijn.

De allerbeste Mar10 van de hele wereld en de Maaspoort krijgt geen uitkering. Hij woont in een gebouwtje van 2 bij 2 meter zonder verwarming, gordijnen of vloerbedekking. Stroom en gas heb ik niet nodig. Ik wil er geen tijd en energie voor inleveren. Min of meer mobiele telefoons, een privé oprit naar dé digitale snelweg en een flatscreen televisie zijn niet aan mij besteed.

Werken doe ik als ik wat wil eten en eten doe ik niet veel. Ik koop geen genetisch gemanipuleerde witte boterhammen met onzichtbaar bruine vezels in een plastic zak. Ik koop geen tien maanden houdbare vijfvoudig ingepakte koekjes die ik in 2 minuten verorber. Wassen kan met regenwater. Drinken ook. Geef mijn water maar aan mensen zonder regen. Wegen gebruik ik NOOIT en ik bezit niets. Zelfs geen beesten.

Zonder bespottelijk hoge “eerste klas” belastingen en een volstrekt belachelijke huurprijs voor een onnodig luxe paleisje op drie hoog red ik me zelf prima. Daar lever ik mijn uitkering graag voor in. Waarom heb ik die keus niet?

Leven zonder meer. Laat me toch. Stilte en eenvoud is per definitie niet te verdienen. Het is er. Voor iedereen en altijd. Vraag me geen geld voor iets wat ik niet wens te bezitten of wil gebruiken en ik vraag jou geen uitkering om dat te bekostigen. Deal?

Je hoeft niet direct te antwoorden want ik weet dat je het erg druk hebt. Neem er de tijd voor. Veel gekker dan nu kan het niet worden. Toch?

Posted in Columns | Tagged | 1 Comment

Tot de grond toe afbreken

Met een trapper in m’n bebloede hand lig ik in de berm van het zonnetje te genieten. Hijgend. Één schoen heb ik aan en de andere zie ik zo snel niet. M’n linker schouder is flink gehavend. De bij deze trapper horende fiets ligt een flinke slinger verderop.

Dit keer heeft ie het echt begeven. Tientallen keren heb ik ‘m opgelapt als ie het opgaf en dat wreekt zich nu. Ik heb er roofbouw op gepleegd. Alles rammelt. De beldop is “missing in action”, er zit een flink slag in beide wielen, het achterlicht is ten prooi gevallen aan vandalen en de standaard is alles behalve standaard. Het zadel is al jaren gescheurd en nu is deze trapper afgebroken.

Zowel de situatie als m’n schouder is schrijnend.  Ik moet opstaan want thuis lijkt verder weg dan ooit. Mijn lijf verstijft en fietsen is uitgesloten. Snel raap ik de brokstukken bij elkaar en trek de andere schoen aan.

Met m’n fiets aan de hand en de zon in de rug loop ik slingerend richting Maas. “Tjongejonge!”, hoor ik een man-met-hondje mompelen….”die is niet meer te redden….”. Het is niet helemaal duidelijk of ie het over mij heeft of over de fiets. Met een perfect gevoel voor drama kreun ik bij elke stap en de fiets kreunt ritmisch mee. Wat een stel….

En nu? Wat nu? Repareren kan niet meer. Een andere kopen lukt niet want als ik een portemonnee had dan was ie zeker leeg. Jatten heeft wel iets avontuurlijks en het draagt bij aan mijn zuuronverdiende imago. Jammer genoeg is dat funest voor m’n gemoedsrust. De enige rust die ik mezelf soms gun.

Als we het kanaal passeren, raken we in een vreemdsoortige cadans. Piep, kraak, strompel, mompel, zonnebrand op m’n binnenband…. totdat…. totdat ik ineens lijk te versmelten met m’n fiets in de tijd. IJskoud.

Ik zie mezelf liggen in de sneeuw voor het politiebureau in Wijchen. Helemaal op. Dit keer heb ik het echt begeven. Tientallen keren ben ik opgelapt als ik het opgaf en dat wreekt zich nu. Ik heb  roofbouw op mezelf gepleegd. Alles rammelt. Mijn lijf verstijft van de speed, van de kou. Oplappen is dit keer uitgesloten…. loten….oten….

Klote! Er rijdt bijna een brommer over me heen terwijl ik struikel over een beldop die op het fietspad ligt. Een beldop zonder bijbehorende bel en fiets. Zou ie passen?
Met een beldop in m’n tas en het zout der aarde brandend in verschillende geschaafde lichaamsdelen loop ik de Maaspoort in. De wandeling heeft me goed gedaan. Ik weet wat me te doen staat.

Deze fiets krijgt in navolging van mezelf een tweede leven. Niet door ‘m op te lappen maar door ‘m tot de grond toe af te breken. De goede en functionele delen bewaar ik en komen terug in de verbeterde versie van Fiets. De delen die stuk zijn of niet meer bijdragen aan mijn visie op Fiets dank ik af.

Roestplekken zal ik met zorg verwijderen en  met verf of de mantel der liefde bedekken. Ik ga er de tijd voor nemen. Deze fiets is pas veertig jaar oud en heeft in potentie een levensduur van minimaal tweemaal zoveel jaren. Mooie jaren….

Ik zet m’n fiets in de schuur en leg de beldop ernaast. Morgen ga ik beginnen…. Ik sluit m’n schuur en strompel vier trappen op. Met de sleutel in m’n hand blijf ik even staan. Heel even maar.

Langzaam loop ik terug naar m’n schuurtje. Ik pak de beldop en poets ‘m eens flink op. Ik zie mezelf glimlachend in de beldop en fluister… Morgen? Morgen bestaat niet…. !
Auw!

Mar10

Posted in Columns | Tagged , | 6 Comments

Kloostertuin

Het is vroeg als ik opsta. In het klooster gaat dat als vanzelf. Als het donker is rust ik en met het licht word ik wakker. Zonlicht. Ik loop slaapdronken naar beneden, rechtstreeks de tuin in. Muk staat al op me te wachten….

Net vóór ie zijn allermooiste kukel wil kukelen sta ik voor z’n neus. Met één oog open kijkt ie onmiskenbaar trots naar me. Dat duurt maar heel even want hij heeft honger en z’n enige kippie ook. Hij duwt me een beetje richting schuur. Richting ontbijt. Met zijn koppie tegen mijn knie loodst hij me zonder omwegen door de kloostertuin. Z’n kippetje blijft lichamelijk op gepaste afstand terwijl ze m’n hoofd vult met zorgeloze tokkeltjes.

De ochtend is begonnen met het mooiste licht van de dag. Met een grote mok koffie nestel ik me midden in de tuin. De flinterdunne zonnestralen spoelen me schoon. Muk en z’n kippie tokkelen of kukelen beurtelings met volle bek en kraaien cirkelen kraaiend om de kerktoren. De kikkers maken een hels kabaal en tussen de hommels, vlinders en libelles hoor ik geluiden uit het verleden. Flarden. Dit is niet zo maar een tuin.

Om de tuin staat een muur. De muur houdt niet zozeer het leven van buiten buiten. Hij houdt het leven van binnen binnen en het leven gedijt er goed. Iedereen die nu naast me wil komen zitten krijgt koffie en zal knikken bij het horen van die zin.

Hier, precies op deze plek heb ik voor de eerste keer besloten om mijn leven nog een kans te geven. Mijn leven zonder speed. Ma Wil die de zorg voor het klooster en de tuin er omheen overnam,  liet me binnen toen ik geen andere plek had. Nu is het ook mijn plek. Hier breng ik geen rottigheid meer naar toe.

Als Poes iets te dicht bij kippie komt gaat Muk rechtop staan. Muk zet één stap richting Poes en Poes draait om met een pesterige “mrauw”. Alsof een echo dat moment wil onderstrepen klinkt er een schelle “mauw” van een Steenuil achteraan en “KOFFIE!”

Gasten, vrienden, bewoners en bewonderaars starten de dag samen. Met koffie zonder zorgen en licht gebakken koekjes. Ma Wil vertelt dat de gemeente een plan heeft ontvangen voor de bouw van huizen in de tuin. Voor het omvormen van het klooster en de kerk in appartementen…. Ik verstijf ….

Het wordt stil. Ik word stil. Mijn adem stokt zelfs maar ma praat door. Ik kijk naar de tuin en hoor haar stem langzaam verdwijnen terwijl ik met een half koekje naar de vijver loop. Als ik me omdraai zie ik het klooster en de kerk.

Deze grond, de tuin en het gebouw is bijzonder. Degene die er zorg voor dragen en droegen begrijpen dat. Hier mag iedereen komen die er kracht uithaalt en instopt. Mensen die er komen gaan weg en komen weer terug.

In het water van de vijver zie ik mezelf staan. Ik vraag hardop: “Zou ik ook glimlachend met de tranen in m’n ogen koffie mogen drinken in de tuin van een eigenaar? Zou ik….?”

Het is vijf voor twaalf. Ik wacht nog even op de klokken voor ik verder ga. Nog even….Nog even licht.

Mar10

Posted in Columns | Tagged | Leave a comment

Minder dan niets

Kijk daar gaat het dus mis. Daar gaat het goed mis. Steeds als ik mezelf tot de grond toe afbreek met grote hoeveelheden drugs, met meditaties, medicatie of andere hardloopwedstrijden zonder finish komt er een punt dat ik niet verder kan. Dan moet ik verder. Verder met minder dan niets.

Met minder dan niets ben ik op m’n best. Zonder geld of eigen plek ben ik gelukkig. Niemand kan me dan raken. Er is niets meer waarmee ik in bedwang gehouden kan worden. Dreigementen of beloningen hebben geen vat meer op me. Dan voel ik me vrij.
In Nederland mag dat alleen als ik zwaar psychisch gestoord ben. Al dan niet chemisch geïnitieerd of in stand gehouden.

Pas als ik een dansje maak met de agent die me opraapt omdat er een naald onappetijtelijk in m’n arm is blijven hangen, mag ik mezelf zijn. Als ik narcissen omhels en spoken ongegeneerd uitdaag om me te pijpen…. dan laten ze met rust.

Rust. Eenmaal met rust durf ik me iets meer te openen. Ik hoor weer mensen om me heen. Mensen die net als ik gelukkig zijn. Harde werkers en priesters. Jong vrijgestelden en oude flierefluiters. Kinderen die buiten spelen in de regen. Mensen die honden uitlaten en vol enthousiasme vertellen over Bello’s blauwe bijtring. Ze zijn net als ik…. anders. Hoe doen ze dat toch?

Nienke kijkt me aan en zegt: “Pap, gaan we zo?. Ik wil naar de stad”.” Sjoppuh!”, schreeuwt Fenna huppelend. Ze hebben meer geld dan ik, m’n meskes. Hun moeder snapt hoe het werkt met geld. Ze zigzagt overal tussendoor. Vroeger offerde ze zichzelf er voor op maar nu doet ze het anders. Ze wordt steeds mooier.

In rust lijkt alles mooier. Langzaam ebt noodzakelijke drukte weg en heb ik geen gekte meer nodig om me vrij te voelen. Ik heb zelfs een huisje. Midden in het bruisende hart van Den Bosch. Als ik vijf euro over heb dan geef ik het aan mijn meiden al kan ik dan twee dagen niets eten.

Morgen komt Mira. Mira en ik vinden elkaar zo leuk dat we vaak bij elkaar te vinden zijn. Ze snapt dat ik vrij wil zijn en probeert dat ook te accepteren. Het lukt haar niet zo goed maar dat is niet zo verwonderlijk. Het lukt mij ook niet zo goed.

Vrij zijn in rust is zo moeilijk. Vrijheid is begerenswaardig. Als ik rustig ben hebben mijn meiden me nodig om zichzelf neer te kunnen zetten in de hectiek om zich heen. Ik moet zelf een formulier invullen want het gaat goed met me. Geld van jou voor mij.

Geldt dat ook voor jou?. Weer betaalt Mira mijn shag en goede speed is bijna nergens meer te krijgen. Gister reed ik fluitend door de stad op een fiets zonder licht een agent voorbij…. Met de belofte het licht te repareren mocht ik door rijden….Ik kwam met de schrik vrij. Waaaaaaaaaaaaaaa! Vrij?

Kijk daar gaat het dus mis. Daar gaat het goed mis. Steeds als ik tot rust kom zonder grote hoeveelheden drugs, meditaties, medicatie of andere eindeloze hardloopwedstrijden komt er een punt dat ik niet verder kan. Dan moet ik verder. Verder met minder dan niets.
Verder met….

Mar10

Posted in Columns | Tagged | Leave a comment

Flierefluiters gezocht [m/v]

Op een formulier van de belasting kriebel ik een rijmpje. Ik fluit een liedje met de-eerste-de-beste Merel mee. Bij m’n handtekening teken ik een lachebekje. Het lijkt me zo saai om alleen maar cijfers en kruisjes te controleren. Secuur, netjes, altijd op tijd en het overgrote deel zonder fouten.

Ik druk m’n joint uit en loop richting stad. Misschien ga ik zelfs de stad ìn. Gewoon…. Op zoek naar een brievenbus of zo iets. Het is  bijna half zeven en dan is het op zondag nog rustig. Kijk, de zon kondigt zich net aan. Nu is ze op haar mooist. Dat vindt de Merel ook.

In het tunneltje staan drie kinderen stil bij een  fiets. Een meisje kijkt boos en schopt tegen de band. Ze gooit haar armen omhoog met erachteraan: “KUTFIETS…. Godverdomme!”. Een veel kleiner jochie zegt: “Je moet gewoon doorfietsen!”. Hij grijnst erbij. Het andere jochie zwijgt want het meisje wordt bozer en bozer. “Ja dat kan niet meer met die kutfiets. Hij doet het niet meer!”

Het tafereeltje is vermakelijk en ik ga iets langzamer lopen. Het meisje is nu woest. Als ze merkt dat ik vertraag, roept ze: “Hee…. Sta daar niet zo stom te lachen…. Godverdomme! Je moet niet lachen, je moet HELPEN! Stomme kutfiets!” Ik blijf staan tot de echo uit het tunneltje is verdwenen. Als ze me aankijkt, zie ik mezelf in haar ogen. Ik glimlach.

De fiets is inmiddels gevloerd. Het achterwiel zit muurvast. De snelbinder zit strak tussen een paar spaken en het wiel is niet vooruit te krijgen. Ik draai het wiel terug. Terwijl ze door kwettert zeg ik tegen haar: “Zo. Hij zat klem. Ik heb ‘m even terug gedraaid naar toen ie het nog deed. Probeer het nu nog maar eens”. Het gevloek gaat via gekwetter naadloos over in: “Dank u wel meneer ….als mijn fiets kapot is wordt mijn vader heel boos en dank u wel meneer. Fijn!”. Ze is geen seconde stil. Ze stapt op en fietst lachend weer verder. Verder de stad in. Net als ik.

Het wordt al drukker op straat. Aan de overkant van de brug loopt een man. Fluitend. Hij heeft z’n handen in z’n zakken en zijn broek is te kort voor de tijd van het jaar. Ik fluit met hem mee zolang m’n glimlach het toestaat.

Volgens mij zijn we ongeveer even oud. We fluiten in ieder geval even mooi. Het is vast ook een papa. Zou hij gescheiden zijn? Hij ziet er gelukkig uit. Hij straalt zelfs en zijn liedje is vrolijk! Een vreemde fluiter; zelfverzekerd. Wat zit z’n haar netjes….

De man stapt in een prachtige auto en rijdt weg. Hij toetert als ie voor me langs afslaat. Een beetje in de war begin ik te grinniken…. Ik lijk wel verlegen. Hihi. Volgens mij was is het een echte. Een Flierefluiter. Ik ziet ze steeds vaker en op de raarste plekken.

Als ie ver genoeg weg is, draai ik me om. De lucht is nu helemaal open. Morgen wordt weer een zondag voor mij. Als de zon tenminste durft. Aan mij zal het niet liggen…. “Aan mij niet!” Fluitend loop ik verder. Naar de volgende misschien. Tot zo!

Mar10

Posted in Columns | Tagged | Leave a comment

‘Sven THE man’

‘Sven THE man’

Hij is er klaar voor. Dit wordt zijn lente. De mooiste van z’n leven. Als ik naar Sven kijk raak ik bevangen door respect. Hij gaat naar de Olympische spelen en hoe!
Begin twintig is ie. Leuk joch om te zien. Hij wint bijna alles met overmacht. Soms lijkt het zelfs alsof er niemand anders heeft meegedaan. Sven staat al te springen op het hoogste blok met een duidelijke ‘1’ erop als nummer twee afgemat de lijn passeert. De twee blokken ernaast dragen geen noemenswaardig nummer en lijken niet hoger dan een broodtrommel.

Jaar in jaar uit is ie omringd met mensen die hem begeleiden om ‘Sven the man’ te zijn. En dat is ie steeds weer. Vol trots, vol strijdlust, vrolijk, afgetraind en met nooit haperend kritisch-realistisch zelfbeeld.

Hij leeft een leven in de naam van sport en iedereen kijkt mee. Sterker nog, als Sven wint, krijgt zeven procent van Nederland korting op de gasrekening. We zijn vóór Sven en staan achter hem. Orgastische taferelen rondom de schaatsbaan sieren het tv-scherm van honderden miljoenen nadat Sven met twee vingers in zijn neus finisht. Plagerig schaatst hij de laatste dertig meter achteruit.

Het lijkt hem niet te ontwrichten. Hij schaatst. En daar is ie toevallig goed in. Hij leeft alles wat ie wil leven. Niemand waagt het om zijn superioriteit ter discussie te stellen dus legt hij aan niemand dan zichzelf verantwoording af. Huisje hier, etage daar. De betere hotelkamers met goede bedden. Wordt geregeld.

De beste artsen, fysiotherapeuten en diëtisten, prachtige kuiten en billen, materialen uit top-secret hightech laboratoria. Steeds gaat hij sneller. Alles wat Sven kan brengen tot een betere prestatie dan zijn vorige krijgt hij op een presenteerblaadje. Tot ie sterft.
Ik vraag me af wat ie nu aan het doen is. Als hij straks met minstens twee of drie gouden medailles thuis komt wordt zijn naam in het register aller registers opgetekend. In sierletters van bladgoud. Wat doet dat met hem? Nu!

Op tv loopt ‘THE man’ ontspannen in trainingspak vrolijk naar de ijsbaan. Muts op. Het puntje van z’n neus en zijn oorlellen zijn vuurrood en er komen wolkjes stoom uit z’n mond. Hij zwaait en kijkt vrolijk over zijn schouder terwijl hij na een hupje stevig door loopt. Een snotneus. Hij lijkt ontspannen. Hij ís ontspannen. Op m’n asbak ligt een jointje te roken. Ik neem nog een hijs en begin te glimlachen terwijl ik er naar kijk.

Voor me ligt een stapeltje papieren en ik blader er doorheen. Er zitten twee identieke dagvaardingen tussen waarvan één aangetekend. Een rechter-commissaris dwingt me om te getuigen tegen iemand die me speed brengt als ik dat nodig heb. Zal ie  het begrijpen als ik die jongen daarvoor in de rechtszaal, met heel m’n hart bedank?

Eigenlijk zou ik half Nederland moeten rond rijden om de allerbeste speed te zoeken, het laatste restje ervan voor zijn neus opsnuiven en dan met een strak gezicht de ontkosten ervoor declareren.

Er zit ook rekeningen en berekeningen tussen van de belastingsdienst. In de brief staat dat ik teveel geld heb gekregen. Veel te veel geld. De dienst heeft een foutje gemaakt en nu moet ik het geld terug geven. Ik heb het gekregen zonder dat ik begrijp waarom en moet het terug geven nu  het er niet meer is.

Met mijn hoofd in mijn handen en mijn ogen dicht zucht ik diep. Soms…. heel soms word ik er gek van. Dan zit ik net voor het startschot ergens in een donker hoekje alleen te huilen of te lachen…. naar Sven. Hij schaatst naar een gouden medaille. Zonder tegenstander.

HUP SVEN!

Mar10

Posted in Columns | Tagged | 1 Comment

Ik heb zin in vandaag

Het is zo’n dag. Een perfecte. Vanaf het begin al, al had ik toen mijn ogen dicht. Het zonnetje geeft alles wat ie te geven heeft en maakt de sneeuw witter dan wit.  Met alle ramen en deuren open stroomt de hele wereld door m’n huisje. Nu. Ik voel me één met alles om me heen. Opgelost!

Met m’n hoofd uit het raam glimlach ik de zon uitnodigend tegemoet. Totdat m’n verwarming pruttelt. Dan doe ik het raam een ogenblik dicht. Met thermostatische precisie spelen we een spel in het gebied tussen te warm en te koud. Alles en iedereen doet waar ie goed in is.

Ik ga zitten en draai een shagje. De echo’s in mijn hoofd volgen gedwee alle regels die gelden bij de geboorte van een symfonie. Ze zijn bijna onherkenbaar want ze vinden de harmonie niet alleen in zichzelf maar ook in alles wat nog echo’s zal produceren. Maakt het wat uit?

Er stromen kleurige beelden verstrooid het venster van m’n linker oog binnen. Ze ontsnappen deels via mijn rechteroor en deels via m’n neus naar buiten. Door en door. De kamer, het venster en het raam. Rust blijft achter. Het speelt tikkertje-met-verlos met komende en gaande minuten. Enigszins verstoord slaan de uren het schouwspel seconden lang ingetogen maar  niet onberoerd gade.

Bij het openen van m’n ogen landt een kraai op de enige tak van de boom voor m’n huis.  Ik wrijf het zand uit m’n ogen. Naast de kraai zit een andere vogel; een bruine. Ik ken het soort wel. Het soort dat niet thuis hoort in de boom voor mijn huis. Een vreemdeling!

De vreemdeling is veel groter dan de kraai. De tak buigt zelfs onder zijn gewicht. Met een zweem van onaantastbaarheid als schild zit ie onbewogen en met gesloten ogen niet meer dan een vleugel lengte van de kraai.

De kraai schuifelt heen en weer en probeert met haantjesgedrag de vreemdeling te provoceren. Zonder enig effect, zo blijkt, want na enige tijd neemt z’n gekraai af.
Tevreden met z’n optreden gaat ie stil zitten. Er passen nu niet meer dan twintig centimeters tussen de kraai en de vreemdeling.

Pas op het moment dat de kraai iets meer dan gerustgesteld zijn ogen sluit, zie ik de vreemdeling bewegen. Traag draait ie z’n hoofd naar rechts. Bijna onzichtbaar langzaam. Hij opent zijn ogen en kijkt met helgele ogen iets voorover gebogen naar zijn buurman.

Het is goed. Hij gaat weer rechtop zitten terwijl  z’n snavel hoeken een ietsiepietsie omhoog krullen. Hij schudt een veertje recht, tilt even een poot op en laat zich terug zakken in de zelfde kracht waar ie de seconde ervoor uit kwam. De kraai probeert tevergeefs een diepe zucht te onderdrukken. Voorzichtig duwt  ie nog een paar centimeters tussen hem en de vreemdeling uit.

Alles klopt vandaag. Er is een wapenstilstand zonder wapens. Een zonder meer toevallig samen zijn. De hele wereld stroomt. Vanaf het begin al, al had ik toen mijn ogen dicht. Het is zo’n dag; een perfecte.

Ssssssst!

Mar10

Posted in Columns | Tagged | Leave a comment

Demonen dansen in het zelfontstoken licht

Het is nu tien minuten voor twaalf. Voor het eerst sinds zeven jaar heb ik weer een vuurpijl gekocht. Één pijl. Een pijl waarmee ik vroeger demonen uit het oude jaar weg joeg om het nieuwe met een schoon blazoen te beginnen. Demonen waarvan ik het bestaan uit boeken las, waarover ik heksen hoorde praten en die ik bij anderen soms kon waarnemen.

In korte tijd kwam daar verandering in. In eens waren ze er allemaal. Pijl of niet, ze toonde zich bij de eerste kans die ze kregen. Vanaf de eerste keer dat ze bloed roken tot vandaag.
Ruim een kilo speed in zeven jaar is op zich al voldoende voor een groot scala aan demonen. In de ijzige kou op een vers bedje sneeuw gaan slapen werkt ook motiverend voor een gemiddelde demon.

Vrienden die sterven, honger, politiegeweld, huilende ouders en geweldige seksueel of anders getinte uitspattingen maken het bonte gezelschap compleet. Sommige profileren zich als bondgenoot. Zonder hen is het leven in de goot ondragelijk. Ze spelen plaatvervangend geweten of entertainer met de rode neus. Er zijn er ook die de wereld tonen in al haar gruwelijkheid of hulpverleners in walgelijke zwakte. De ene geeft je de kracht om de waarheid van de dag te spreken en anderen maken liegen logisch. Ze tonen je werkelijke schoonheid door alle vuiligheid heen en zijn de grauwe de sluier over de mooiste zonnestralen. Op straat zijn demonen je metgezel. Of je wilt of niet.

Een beetje zelfingenomen ga ik voor het raam staan. Veel demonen die in me huizen hebben de ruimte gekregen om zich te manifesteren. Ik ben goed voor ze geweest. Ik heb ze niet veroordeeld maar geprobeerd te aanschouwen. Ben verder met ze meegelopen dan goed voor me is. Ik ben van ze gaan houden en heb ze in dankbaarheid leren aanvaarden. Ze zijn en blijven een belangrijk deel in mijn leven.

Langzamerhand zie ik wel in dat demonen zijn als jaren en dagen. Ik kan ze verzinnen en ontkennen, wegnemen of schenken. Er verandert niets. Wat er is zal zich tonen. Ze maken deel van me uit. Vandaag misschien een belangrijk of groot deel en gister een klein of nietsbetekenend deel. Soms zie ik de betekenis van een dag al voor de zon op komt en soms pas twee jaar nadat de zon is onder gegaan. Er zijn demonen die ik fluitend aan zie komen en anderen herken ik alleen aan de sporen die ze hebben nagelaten in dagen, weken of soms maanden. Net als met dagen en jaren, zal ik moeten leren dat ik demonen mag laten rusten als ze hun belang hebben aangegeven of als het belang ervan niet meer nodig is.

Het is nu twee minuten voor twaalf. Ik hoor op de achtergrond Ramses Shaffy zijn demonen bezweren:..“Je moet weer stralen… De weg is vrij… De weg is open… De weg is mateloos van mij… Zonder bagage… Kan ik weer lopen… Want ik ben nu vogelvrij”… Ik kijk naar de pijl en de pijl kijkt strak terug. Een beetje hulpeloos zeg ik tegen ‘m: “Zullen we?”, maar hij zwijgt. Ik kijk naar andere pijlen die de lucht verlichten en kleuren. Ik zie demonen in totale verwondering zichzelf oplossen in het zelfontstoken magische licht en ga weer zitten.

Het is nu één minuut voor twaalf. Één minuut voor het enige jaar in mijn leven met dezelfde naam als ik. Wat zal het brengen?

Gelukkig, 20 Mar10!

Posted in Columns | Tagged , , | Leave a comment

Met Lotus mee

Met m’n ogen dicht zit ik tegen een muurtje van de flinterdunne zon te genieten. Een boterham in de ene hand en een beker met koffie in de andere. De wind gaat als een razende te keer maar het muurtje waar ik tegenaan zit toont zich onvermurwbaar.
Halverwege de zesde en zevende hemel  word ik ineens ruw ontdroomd.

Naast me zit een dame met helder blauwe  ogen. voorzichtig eet ze de boterham uit m’n hand op.  Als ie op is gaat ze twee meter verder zitten. Minutenlang blijft ze trots en onbewogen zitten. Het is precies een Boeddha in Lotuszit. Zou ze ook van de zon genieten?

Na pakweg vijftien Kilowatt aan zonneschijn pak ik  m’n tweede boterham. Ze draait zich naar me toe en kijkt vrolijk. Eerst naar m’n boterham en daarna naar mij. Ik vraag aan haar of ze nog honger heeft. Op handen en voeten tippelt ze neuriënd naar me toe en begint te kwispelen.

Een beetje in de war van deze plotselinge vrolijkheid vergeten we alle twee onze manieren. We kruipen zonder woorden dicht tegen elkaar en eten heel erg langzaam de boterham op. Het lijkt net of we elkaar al jaren kennen. Evenveel jaren als er in werkelijkheid minuten zijn verstreken.

Nadat elke kruimel is opgegeten, stop ik het lege boterhamzakje in m’n tas. Ik geef de mooie dame een aai over haar bol en zeg hardop dat ik haar erg leuk vind. Het lijkt wederzijds want na mijn binnensmonds: “Misschien tot ziens”, loopt ze naast me mee richting Maaspoort.

Lachend en pratend stop ik voor een verkeerslicht. Ze volgt me niet want ze loopt gewoon door met haar staart omhoog. Een plagerige blaf met bijpassende schalkse blik over haar schouder tovert een glimlach op mijn gezicht. Ze glimblaft terug.  Dit is veruit de leukste ontmoeting sinds weken.

In het park rent ze als een dolle hond rondjes om me heen, zelfs als ik hard ga lopen. Hier is ze me de baas en dat laat ze merken ook. Ongegeneerd plast ze waar ze staat en loopt al verder voor ze klaar is. Ik ben bijna thuis.

Zal ik haar uitnodigen  voor een bakje water? Misschien wil ze wel blijven vandaag of…. of…. of voor altijd? Wat nou als ik…. en dan bijt ze in m’n hand. Ze heeft een eend gezien en springt meer per ongeluk dan expres het groene water in.

Zou ze in mijn leven willen leven? Rondlopen aan een lijntje? Een ander laten bepalen wat en wanneer ze mag eten? Altijd en alleen met iemand samen naar buiten gaan die met zakje ongeduldig gaat staan wachten tot ze uitgepoept is? Eens in de zoveel tijd zelfs helemaal vrij lopen op een uitrenveld van 20 vierkante meter? Bedelen om snoepjes, pootjes geven aan iedereen die er om vraagt, omrollen en vetgemest op mijn bank in slaap vallen?

Ik moet even slikken. Dit is mijn leven. Ik kijk naar het prachtige met kroos besmeurde schepel. Ze schudt zich flink uit en kijkt me hoopvol aan. Gaan we?

Ze hoeft niet eens met haar ogen te knipperen. Ik was al om na de eerste glimblaf en ze weet het. We gaan. Gewoon verder. We hebben hier niets te zoeken…

MAR10

Posted in Columns | Tagged | Leave a comment

Waarom?

Na een lange wandeling aan het einde van gister ging ik naast dr zitten. Vragend keek ik dr aan. Volledig bewust van wat het zou veroorzaken zei ze dapper: “Wat zit je dwars lieffie?”
Enigszins verward maar vastberaden begon ik. “Waarom heeft bijna elk huis in Nederland verwarming, thermopaneglas, een parkeerplaats, een inbouwkeuken, dak- , spouwmuur- en of vloerisolatie? Waarom mag ik niet kiezen om in eenvoud te wonen voor een onwerkelijke prijs? Waarom moet Afghanistan veilig zijn volgens jouw normen en waarom gaan we in Soedan putten slaan?

Waarom wordt de juffrouw boos als ik huil in de klas en waarom moet ik flink zijn? Waarom kijk jij eerst in je agenda als je me wil zien? Waarom mag ik niet zelf beslissen wat ons kind leert? Waarom kunnen we niet op elk gewenst moment samen wandelen en waarom kunnen we niet zelf beslissen hoe vaak en waar we huilen of lachen?

Waarom luister ik naar jou? Waarom is het aantal bewakers tegen agressie in overheidsgebouwen zoveel groter dan bewakers tegen verdriet, vrolijkheid of angst? Waarom mag er bij de publieke omroep nog steeds reclame worden gemaakt voor twee flessen wijn voor de prijs van één? Waarom hebben homo’s aparte wetgeving nodig om te trouwen en waarom voelen ze zich dan NIET gediscrimineerd?

Waarom krijg ik bij jou maar één koekje bij de koffie? Waarom stijgt het aantal zelfmoorden zelfs nadat het wettelijk niet meer is toegestaan zonder deskundig vastgesteld ondragelijk lijden.

Waarom is ondragelijk genieten minder erg dan ondragelijk lijden? Waarom zijn er zoveel mensen boos op de Paus? Waarom speelt nationale veiligheid zo’n grote rol en is elk klaslokaal nog steeds onderworpen aan een totalitaire dictatuur? Waarom zijn paddo’s verboden?

Waarom moet ik nu al sparen voor mijn oude dag als die dag aan verandering onderhevig is? Waarom accepteer ik een boete als ik m’n verdrietige kind thuis houd omdat het bos dr vandaag beter doet dan school? Waarom betaal ik voor de verbreding van de A2, de renovatie van Sint Jan en de postzegelverzameling van Sint Willem-Alexander Claus George Ferdinand, Prins der Nederlanden, Prins van Oranje Nassau, jonkheer van Amsberg? Waarom mogen minima niet eens per jaar even met Maxima?

Waarom betaal ik parkeergeld op openbare wegen waarvan ik zelf deels eigenaar ben en waarom doe jij altijd de boodschappen? Waarom betaal ik voor een zorgverzekering die mijn noodzakelijke zorg niet dekt? Waarom mag de miljoenennota niet uitlekken in een jaar waarin die nota geen enkele zin bevat met meer dan ambtelijk poëtische waarde? Waarom heeft Balkenende nooit meer een schaap geneukt sinds ie presideert? Waarom krijgen politieke vluchtelingen in Nederland geen stembiljet in plaats van een inburgeringcursus? Waarom is marktwerking tussen verzekeringsmaatschappijen en nutsbedrijven zo effectief en tussen landen niet? Waarom bestaat witbrood?

Waarom maken we van gevangenissen geen mensentuinen volgens Artis-model? Waarom betaal ik voor steeds hogere snelheidslijnen, steeds diepere zeetunnels, steeds mooiere bruggen, en steeds kleinere hondenuitlaatplaatsen? Waarom mag ik niet op het trottoir schijten als ik een schepje en een zakje bij me heb?

Waarom stellen we geen fokprogramma’s op tegen uitsterven van eerlijke liefdevolle mensen van elk pluimage? Waarom halen we de oorlog uit een kindsoldaat NADAT we m er eerst in laten vechten? Waarom is er geen eindhalte op de lijn in de vaart der volkeren? Waarom mag ik een Yorkshire Terriër   niet opeten als ik m vang? Waarom baggeren we de Westerschelde niet uit? Waarom zijn meer, betere en mooiere tv programma’s in het algemeen voldoende argument voor tv-reclames over penisvergroting?

Waarom komt Bos weg met het uitgeven van beoogd bezuinigd geld uit te nemen maatregelen over vijf jaar (of zo) en waarom eis ik voor deze zeer riskante investering geen bonus op? Waartoe zijt gij op d’aard en waarom kent mijn spellingscontrole het woord zijt niet eens meer? Waarom luister jij naar mij?”

Na tien volgesprankelde, lege en doodstille seconden zei ze liefdevol: “O, is dat alles? Das toch eenvoudig gekkie. Daarom natuurlijk. Daarom!”  Melk en suiker?”

“~+:+:+ MMmmmMmmMM +:+:+~”                   Mar10

Posted in Columns | Tagged | Leave a comment