Normaal gesproken kansloos…

Zo dichtbij en toch onbereikbaar. Midden op de brug tussen het station en de stad zit ze op de grond. Ze kijkt vrolijk rond en merkt de drukte om zich heen niet op. De nachtploeg loopt aan de ene kant van de brug op huis aan en aan deze kant dienen vers geschoren, geplukte en geschminkte werkers zich aan. Op geen van deze mensen is iets aan te merken. Het zijn één voor één unieke, mooie mensen maar ze hebben geen tijd om dat zelf te zien. Willoos offeren ze zich op als werkmieren voor een Koningin. Ze leven. Planten zich voort … en sterven.

De mevrouw op de brug draait haar hoofd mijn kant op en haar gezicht straalt. Ze is duidelijk geen onderdeel van nacht- of dagploeg. Ze ruikt niet naar tamme Polynesische orchideeën en ze heeft een megavlek op haar jasje. Een vreemde eend in de bijt. Vlak naast haar blijf ik staan en bekijk het tafereel. Het lijkt nog het meest op een soort anti-kruistocht gericht op het niet ontdekken wat het leven te bieden heeft. Op de brug is er geen links- of rechtsaf…

Uit het niets zegt de eend met vrolijke stem…:”Wat ziet u er weer prachtig uit vandaag!… nog mooier dan gister…” Niemand reageert maar dat deert haar niet. Even vrolijk praat ze tegen zichzelf en ze zoekt iets in haar jaszak. Haar monoloog boeit me en zelfs als ze zwijgt blijf ik luisteren.

“Meneer!” roept ze en ze kijkt naar een man in pak die voorbij loopt. Als ie terug kijkt zegt ze…: “snuifje meducijn?” Ze houdt een zakje met wit poeder in de lucht. De man loopt door met zn neus in de lucht… Ze laat het zakje met poeder niet zakken en vraagt aan zichzelf: “wil jij misschien een snuifje lief?… Nou…” is haar antwoord “Graag! Wat ontzettend lief dat je ook aan mij denkt!” Haar gezicht licht zo mogelijk nog verder op en ze is de enige op deze brug die lacht.

Terwijl ze haar snuifritueeltje uitvoert, praat ze verder. “Mijn concentratie mag niet verslappen. Het is nu of nooit… altijd geweest en dat zal het ook blijven! Wie neemt mijn taak over als ik wegdoezel? Wie vertelt de mooie mensen hoé mooi ze zijn? Is er nog iemand die zich vrijwillig verlaagd om anderen te laten groeien? Nee toch…? Toch…?” Ze tikt tegen mn been.

Ik ben verder weggedreven op haar stem dan ik al dacht. Vanuit de hoogte zeg ik: “Sorry, ik wist niet dat u tegen mij sprak!” Op mn hurken kijk ik haar op gelijke hoogte aan. Ze laat meteen merken dat ik te dicht bij kom. “Nee…” zeg ik terwijl ik weer opsta. “Alleen bijzondere mensen verlagen zich vrijwillig.” Ze zwijgt en dan gaat ze gewoon verder waar ze is gebleven. “Ja” zegt ze… “Bijzondere mensen die er alles voor over hebben om uit de klauwen te blijven van Momi… ” Bij het woord ‘Momi’ kijkt ze geschrokken om zich heen…”

De brug raakt leeg en er passeert af en toe een enkeling die verdwaald raakt in de tijd. Ze weten het nog niet maar de laatste twee vinden de weg nooit meer terug. Ze komen vandaag té laat. Moederlijk schudt de brugwachter haar hoofd. Volgens mij huilt ze. Ze heeft al haar aandacht vergeven en een roes wiegt haar zachtjes heen en weer. De snuif doet zn werk. Langzaam zakt haar hooft op haar borst… terug in de werkelijkheid…

Mompelend hang ik mn rugzakje op mn rug… “Mo-mi… Momi… Momi?” Ze verstijft heel even en knijpt haar ogen nog dichter dicht. “MO-MI” zegt ze uiterlijk onbewogen… “Het Monster Middelmatigheid, een hongerig kreng! Geef je niet aan m over jongen. Je hebt maar één ziel. Het monster slurpt je ziel op en als je niet weet hoe… “ Ze maakt haar zin niet af… “Voor je het weet sluit je aan in de rij…”

De echo van de laatste zin knoopt zich in mn oren en net voor ik van de brug afstap, roept ze me achterna: “Doe maar normaal jongen” zegt ze… anders ben je kansloos…!”

 

ik stop (voorlopig) met schrijven

ik kan woorden in het donker niet van elkaar onderscheiden

Koetjes en kalfjes

logo mar10

Met mn voeten in een kolk onder de rook van Oud Empel, lig ik op mn rug en kijk naar de wolken. Ik ben hier bijna elke dag. Hemelsbreed is het minder dan één kilometer van mn huisje. Het is hier prachtig… prachtig en stil. Als er in Nederland al sprake is van natuur dan zit ik er midden in. Ik ga even rechtop zitten om een shagje te draaien en op enkele meters afstand van mij zit een vos. Hij schrikt en schiet het hoge gras in. In de verte loopt een kudde blonde koeien te grazen. Een paar koeien zien me en beginnen te rennen. De rest volgt direct want in een kudde

— lees hier verder a.u.b. — Koetjes en kalfjes

Stelling van Lot

 “… je kunt het Lot niet ontlopen” zegt ie stellig en dan valt het gesprek stil. We zitten met gesloten ogen op een muurtje en zoeken minutieus naar het zonnigste plekje. Hij zoekt warmte, ik licht. In een poging zn stelling van Lot om de tuin te leiden zeg ik “… natuurlijk kan dat wel. Het Lot speelt vals. Net als je denkt dat je het Lot aanvaard hebt, blijkt jouw Lot te bestaan uit het ontlopen ervan. Als ik ook mag vals spelen… win ik!” Hij gaat rechtop zitten, kijkt me aan en zegt: “Wat kun jij de dingen toch mooi zeggen…”. Hij maakt me vrolijk. Aangemoedigd ga ik door: “Als ik vanochtend wist

— lees hier verder a.u.b. — Stelling van Lot

Ademloos

Het regent al de hele dag. Zelfs in mn hoofd. De trucjes die ik ken om mn onrust te foppen, werken niet maar ik geef me niet gewonnen.

Geen geluid van binnen of buiten en niemand waagt zich in de regen op straat. Alles om me heen ademt opgeruimde stilte. De koelkast slaat af en ik houd heel even mn adem in… Hoe graag ik het ook wil, niets of niemand draagt bij aan mn rusteloosheid. Waarom vecht ik ertegen…?

De tijd klopt met mijn beleving van de dag en de temperatuur met de tijd van het jaar. De stilte op straat met een ijzige voorjaarsbui en mn hongergevoel met “lang na etenstijd”. Alle

— lees hier verder a.u.b. — Ademloos

Ouderdom

 

 

Toen ik zo klein was dat ik meer dan een uur op mn opa’s knie kon zitten wist ik het al. Oud zijn is bijzonder. Mijn opa kon stil zijn. Echt stil… Dagen en dagen lang in dezelfde stoel. Zn stok had ie vast alsof ie elk moment kon opstaan maar dat deed ie nooit. Soms sliep ie maar meestal niet.

Hij sprak nooit en heel soms snauwde hij iets. Vaker gromde hij gewoon. Er waren wel geluiden maar ze leken zo door opa heen te gaan. Mijn opa was al zo lang stil dat hij geen zinnen meer kon maken.

Voor mij was dat allemaal logisch. Als mn opa stil mocht

— lees hier verder a.u.b. — Ouderdom

The One

 

Om zes uur stap ik vanuit de trein, zonder vertraging of wachttijd, rechtstreeks de bus in. Ik ben te moe om naar huis te lopen en er staat nog wat op mn Ov-kaart. Als ik thuis ben sta ik in de min maar dat zuiver ik wel aan in betere tijden.

Bus 69 richting Maaspoort is al aardig vol. Met een diepe zucht plof ik neer naast een man die er te netjes uitziet voor de tijd van de dag. Hij draagt een pak met een lange jas erover. Er onder draagt ie glimmende Italiaanse merkschoenen. Het geheel is met een vrolijke stropdas bij elkaar geknoopt. Ik kan geen kreukel ontdekken. Als ik

— lees hier verder a.u.b. — The One

Gelukkig

logo mar10

 

Er staat al een mok dampende koffie op tafel als ik binnenkom. Wiener melange met twee extra zoetjes. “Kom eens hier…” zegt ze “… je bent weer afgevallen”. Bijna routinematig scant ze me vliegensvlug maar grondig van top tot teen. Dan pakt ze me vast en kust me. Op dr gezicht kan ik niet aflezen hoe het met me gaat en dat blijft me verwonderen. We leven bijna dertien jaar gescheiden van elkaar en nog dreigt elke kriebel in mn buik te zakken tot bedenkelijk laag niveau. Als we bij de koffie aan tafel gaan zitten, valt ze, anders dan anders, meteen stil.

Ze kijkt me aan en zoekt naar woorden… Dan vraagt

— lees hier verder a.u.b. — Gelukkig

Ik mis je

Morgen is het Kerstmis en het is nog donker als ik op weg ga naar Linda. Het is kwart voor acht. Op dit tijdstip ben ik niet vaak op straat en al helemaal niet als het zo koud is. Natuurlijk weet ik dat het zo vroeg al druk is op straat maar het verbaast me elke keer. Van binnen en buiten dampende bussen, rijen auto’s en stoere fietsers. Iedereen is uit bed en niemand lijkt wakker.

Adem halen is bijna ondoenlijk met zoveel uitlaatgassen in de lucht. De miljoenen auto’s van tienduizenden euro’s zijn door de bank gefinancierd om automobilisten naar het werk te brengen. Met een baan verdienen ze precies genoeg om de auto

— lees hier verder a.u.b. — Ik mis je

Ik zie… ik zie!

… In mijn droom ben ik blind. Tenminste… tot ik mezelf onder ogen kom… Totdat… “Ik zie, ik zie wat jij niet ziet… en ‘het’ is …!” Een piepklein stemmetje vult mijn droom en het vol-ledige pleintje voor mn deur. De droom eindigt daarmee abrupt… Ben ik nu wakker? De overgang van slapen naar waken brengt me in de war of er juist uit. Alles lijkt wazig.

De zon accentueert de mooiste plekjes in de straat. Kinderlijk eenvoudige magie met verstrekkende gevolgen. Het lichtende schouwspel met warme scherpe beelden tot bijna doorzichtig vage hebben me vanochtend naar mn bankje op het balkon gelokt. Overal hangen flarden. Flarden van dromen gewoon voor het uitkiezen. Onder mn

— lees hier verder a.u.b. — Ik zie… ik zie!